In de hoofdstukken 26 (Riolen), 27 (Het China van Europa) en 28 (Een grote vergissing) gaat het respectievelijk over Parijs, de censuur in Oostenrijk en de censuur in Rusland. Aan het einde van elk hoofdstuk verklaart Zamoyski ons de titel van het betreffende hoofdstuk in een citaat. Zo schrijft Lucien de la Hodde in 1850:
Bron: Histoire des sociétés secrètes et du Parti Républicain de 1830 à 1848
Met “de riolen van Parijs” bedoelde Lucien de la Hodde overigens ook de krochten van Parijs. Napoleon III heeft zijn boodschap in ieder geval goed begrepen want in de jaren vijftig begon hij onder leiding van de perfect Le baron Hausmann aan een transformatie van Parijs. De nauwe straten waar het gepeupel in 1789, 1830 en 1848 barricades hadden opgeworpen werden vervangen door brede boulevards.

De opstand op 10 augustus 1792 in Parijs
Lucien de la Hodde, 1850
Metternich en Tsaar Nicolaas I zagen Parijs als één grote beerput van politiek en moreel verval. De Julirevolutie van 1830 bevestigde hen in deze opvatting. In de jaren dertig en veertig was er in Oostenrijk en Rusland een diep wantrouwen naar alles wat Frans was. Nicolaas I liet na de Julirevolutie het bevel uitgaan dat alle Russen onmiddellijk Frankrijk moesten verlaten. Hij was bang dat de Russen in Frankrijk besmet werden met het virus van de Revolutie. Zowel in Oostenrijk als in Rusland verscherpte na 1830 de censuur. Zamoyski besluit hoofdstuk 27 met de woorden: Hermetisch afgesloten achter een hoge muur van repressie en censuur was het land (Oostenrijk) eind jaren 1840 “het China van Europa” geworden, zoals wel werd gezegd.
Repressie en censuur deden in Rusland niet onder voor die in Oostenrijk. Een Russische schrijver vergeleek het gebruik van censuur op de pers met het gebruik van “een kanon om een vlieg te doden”. Zamoyski geeft enkele bizarre voorbeelden van censuur onder het bewind van Nicolaas I, dat door Alexander Nikitenko, hoogleraar letterkunde en zelf ook censor, “één grote vergissing” werd genoemd. Zo werd een liefdesgedicht gecensureerd omdat een vrouw “goddelijk” werd genoemd en haar verschijning “hemels”. En in het theocratische Rusland van Nicolaas I kwamen deze kwaliteiten uitsluitend aan God toe.



Een paar minuten bladeren in een tijdschrift of boek over grafische of industriële vormgeving rond 1960 is voor mij genoeg om verliefd te worden op een tijdsbeeld. Inmiddels heb ik dan ook een heel rijtje boeken verzameld waarmee ik deze verliefdheid koester. In 1960 stond het modernisme op een hoogtepunt. De wereldtentoonstelling in Brussel van 1958 was het momentum dat Europa de Tweede Wereldoorlog te boven was gekomen. Door de wederopbouw was er een nieuwe wereld tevoorschijn gekomen. Het toverwoord was modern. En modern betekende ook optimistisch en internationaal. We waren collectief in een brave new world ondergedompeld, gezuiverd van nare herinneringen en omringd door anonieme vormen uit de geometrie en het rijk der ééncelligen. Historisme was als sneeuw voor de zon verdwenen. De toekomst was alles, het verleden niets.














