Maandelijks archief: juni 2011

het jongetje en de ballon

maandag gezien op televisie: le ballon rouge (1956)

le ballon rougele ballon rouge is een sprookjesachtige film over de vriendschap tussen een jongetje en een rode ballon. Dit simpele gegeven heeft Albert Lamorisse uitgewerkt tot een boeiende film met schitterende fotografie. Je ziet nog de zwaar aangezette licht-donkercontrasten uit de zwart-wit fotografie, maar juist het contrast tussen het grauwe stadsbeeld en de rode ballon is het meest opvallende in deze film die dus absoluut in kleur gezien moet worden.

Le ballon rouge is opgenomen in de Parijse voorstad Belleville die zich in 1956 in een verpauperde staat bevond. In de jaren zestig werd bijna de hele wijk afgebroken en opnieuw opgebouwd. Meer dan negentig procent van wat je in de film ziet, bestaat niet meer. Voor mij is er een duidelijke overeenkomst met Mon Oncle (1958) van Jacques Tati. Deze film speelt zich af tegen het decor van het verdwijnende oude stadbeeld in de jaren vijftig en zestig. Vorig jaar liet Maarten ‘t Hart in Zomergasten een fragment zien uit le ballon rouge die hij in 1956 met zijn vader in de bioscoop zag. Het was de eerste film die hij in zijn leven zag en het was gelijk een openbaring.

le ballon rouge
stills uit le ballon rouge 1956
In een buitenwijk van Parijs komt een jongetje op een nevelige ochtend in aanraking met een grote felrode ballon, die sterk afsteekt tegen de grauwe straten en woonhuizen. Hij weet het touwtje van de ballon te pakken en neemt hem mee op weg naar school. Maar overal waar hij komt wordt er met onbegrip gereageerd op de ballon. Hij mag er niet mee in de tram, eenmaal op school moet de ballon buiten blijven en als hij ’s middags thuiskomt duwt zijn oma de ballon uit het raam. Wonderwel blijft de ballon hangen en wacht op het jongetje. Vanaf dat moment zijn de ballon en het knaapje onafscheidelijk. De vriendschap tussen de jongen en de ballon wordt danig op de proef gesteld wanneer jaloerse knapen proberen de ballon te stelen. Wanneer ze daarin slagen heeft dat een bijzonder wonderlijk schouwspel tot gevolg.
 
Het is geweldig om te zien hoe Albert Lamorisse met zo weinig middelen en een eenvoudige opzet zoveel diepgang kan bewerkstelligen en van de ballon een werkelijk karakter kan maken. Waar Tom Hanks in Cast away de volleyball nog een naam moest geven, heeft het zoontje van Lamorisse, dat de rol van het jonge ventje speelt, vrijwel geen woorden nodig om de hele film door te komen. De genegenheid tussen de jongen en zijn ballon is gevoelig, warm, oprecht en nergens absurd.
 
Bron: mikrogids.nl

The Red Balloon [ en.wikipedia.org ]

keizerlijke fotoalbums

veertig fotoalbums van Wilhelm II op fotocollectie.huisdoorn.nl

Op 4 juni was het precies 70 jaar geleden dat Wilhelm II overleed. De laatste Duitse keizer was in november 1918 naar Nederland gevlucht en leefde ruim twintig jaar in ballingschap in Doorn. Toen Duitsland in 1940 Nederland was binnengevallen, hoopte de tachtigjarige keizer op een rehabilitatie. Een jaar voor zijn dood was hij nog naar de Grebbeberg gegaan om de gevallen Duitse soldaten te herdenken. Wilhelm II was nu misschien Heim ins Reich, maar de nationaal-socialisten lieten de afgedankte oude man liever in Doorn en nodigden hem niet uit om naar Berlijn te komen.

Wilhelm II
Wilhelm II bij een kranslegging op de Grebbeberg op 17 juni 1940

Op youtube vond ik unieke beelden van de begrafenis van keizer Wilhelm II in Doorn op 9 juni 1941. Even lijkt het Tweede Keizerrijk te herleven door de vele ijzeren kruisen en Pickelhauben. Maar de Stahlhelme van het Derde Rijk tonen een nieuwe orde, die afstand heeft gedaan van het keizerrijk. De laatste keizer wordt bijgezet in het mausoleum in Doorn en daar rust zijn gebalsemde lichaam nog steeds.

Als op 4 juni 1941 Wilhelm II komt te overlijden zal hij, in tegenstelling tot veel van zijn voorouders, niet worden bijgezet in de statige Berliner Dom. Al in 1933 had hij bij testament bepaald in Doorn begraven te willen worden. Teminste als ten tijde van zijn overlijden de monarchie in Duitsland niet zou zijn hersteld. De zoon van Wilhelm II, kroonprins Wilhelm, verzoekt architect Martin KieBling om een ontwerp te maken voor een mausoleum te midden van de door Wilhelm II zo geliefde rododendrons in het park. Hier vindt Wilhelm II zijn laatste rustplaats. Op het dak staat een koperen bol met kruis, deze is clandestien door de Doornse smid vervaardigd met behulp van oude koperen pannen uit de keuken van het huis. Men moest in de loop van de Tweede Wereldoorlog alle koper bij de Duitse bezetter inleveren, die er wapentuig mee fabriceerde.
 
Bron: huisdoorn.nl
Wilhelm II
enkele stills uit onderstaande film van de begrafenis op 9 juni 1941 in aanwezigheid van o.a. Seyss-Inquart
historische opnamen 9 juni 1941
… even lijkt het Tweede Keizerrijk te herleven door de vele ijzeren kruisen en Pickelhauben …

De mooiste ontdekking deed ik op een subdomein van de website huisdoorn.nl Toen Wilhelm II in november 1918 hals over kop naar Nederland gevlucht was, had hij nauwelijks spullen bij zich. Eenmaal geïnstalleerd in Huis Doorn mocht hij een deel van de keizerlijke inboedel uit Berlijnse en andere paleizen naar Doorn laten komen. Wagonladingen vol Wilhelmische meubels, schilderijen, serviesgoed, en snuisterijen werden naar Huis Doorn gebracht. Daaronder bevonden zich ook de keizerlijke fotoalbums. Deze zijn nu gedigitaliseerd en staan integraal online. Fantastisch! Veertig keizerlijke fotoalbums van 1888 tot 1912 zijn nu voor iedereen toegankelijk gemaakt.

fotocollectie.huisdoorn.nl

tekenen – schilderen

de zienswijze van Paul Cézanne (1839-1904)

Cézanne in 1861 (22 jaar)Paul Cézanne, de vader van de moderne schilderkunst werd geboren in het jaar dat de fotografie het licht zag. De fotografie en de schilderijen van Cézanne zouden allebei de manier waarop we naar de wereld kijken, gaan veranderen. De fotografie kan met de zichtbare wereld hetzelfde als een computer met data. Zowel de fotografie als een computer werken met de snelheid van het licht en streven de mens definitief voorbij. Zoals Achilles de schildpad kansloos maakt.

Waarom zou je nog schilderen als er fotografie is? Talloze schilders hoefden omstreeks het midden van de negentiende eeuw over deze vraag niet meer na te denken en ruilden hun verf en penselen in voor een camera en een doka. Toch bleef men schilderen na de omwenteling die de fotografie in de maatschappij teweegbracht. Voor de schilders die volhielden, kon de fotografie de schilderkunst niet vervangen. Vergeleken bij een foto was een schilderij meestal veel groter én in kleur. De schilderkunst had dus zijn Unique Selling Point.

Het nieuwe medium beïnvloedde uiteraard de schilderkunst. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden vaak foto’s gebruikt als voorstudie. Met name door naturalistische schilders en salonschilders. Een schilder als William Bouguereau overtrof met zijn fabelachtige techniek zijn voorbeelden uit de Italiaanse Renaissance, mede doordat hij foto’s in zijn atelier gebruikte. Zijn vrouwenportretten houden vaak het midden tussen een madonna van Rafael en een foto. Maar Cézanne sloeg een heel andere weg in en aan die keuze heeft hij de titel ‘vader van de moderne schilderkunst’ te danken.

Bouguereau en Cezanne
Deze schilderijen (details) zijn gemaakt tussen 1876 en 1879. Het linker is van William Bouguereau, het rechter van Paul Cézanne. Terwijl Bouguereau het Renaissancistische ideaal met behulp van de fotografie tot nieuwe hoogte bracht, maakte Cézanne het schilderij juist primitiever. Zo stond hij aan het begin van de moderne en abstracte schilderkunst.

Eigenlijk kon Cézanne niet echt tekenen. Wanneer je de modeltekeningen ziet die hij rond zijn twintigste maakte, zie je een enorme worsteling met de vorm. Een web van telkens afwijkende contouren toont zijn gemiste kansen. Hij komt er gewoon niet uit. Cézanne is geen tekenaar, hij is een schilder. Maar voor een schilder doet hij een heel opmerkelijke uitspraak waarmee hij de tekenkunst op een elementair niveau integreert in de schilderkunst. “In dezelfde mate waarin je schildert, teken je.” Dit inzicht heeft de schilderkunst op zijn kop gezet zoals E=mc² de natuurkunde op zijn kop gezet heeft.

In dezelfde mate waarin je schildert, teken je

Paul Cézanne

Wat is er zo belangrijk aan dit inzicht? Tekenkunst en schilderkunst waren traditioneel min of meer van elkaar gescheiden. Wanneer je vroeger schilder wilde worden, begon je met tekenen. Tekenen was de basis van het schilderen. Een schilderij werd opgebouwd vanuit een uitgewerkte tekening, die in de onderschildering met lichte en donkere tonen gemodelleerd werd waardoor een ruimtelijk beeld ontstond. Pas in laatste instantie werden de lokale kleuren aangebracht. Vooral in de Renaissance werkte men zo. Eigenlijk waren schilderijen ingekleurde tekeningen.

Bij Tiziaan en de Venetianen ontstaat de vorm vanuit de suggestieve kracht van de verf. De tekening werd eerder een aanwijzing dan een gedetailleerd grondplan. Tijdens het schilderen ontstonden er vormen die in de tekening niet gepland waren, maar doordat de schilder de suggestieve kracht van de verf kende, wist hij hoe in de verf details ontstaan, die je met omtreklijnen niet kunt vastleggen. Het sfumato dat Leonardo da Vinci in de geheimzinnige speling om de lippen van de Mona Lisa gebruikt, is bijvoorbeeld niet met omtreklijnen vast te leggen. Het ontstaat door subtiele overgangen in de olieverf.

la Gioconda
sfumato is een techniek in olieverf om het ongrijpbare zichtbaar te maken. Atmosfeer bijvoorbeeld of een speling rond de lippen.

Maar ook wanneer een verftoets rauw zichtbaar blijft, kun je details suggereren die de lijntekening overstijgen. Een goed voorbeeld is de werkwijze van de latere Rembrandt. De verf ligt rauw op het doek maar de meester kent de magie van zijn materie en de suggestieve kracht van een bepaalde verfbehandeling. Wanneer je verf bijvoorbeeld droog op het doek smeert, levert dat een korrelig streek op. De vele kleine puntjes kunnen treffend de illusie wekken van zonlicht op het water bij tegenlicht. Wanneer je de werkelijkheid zo dicht mogelijk wilt benaderen en de schilderkunstige illusie wilt maximaliseren, dan blijkt de schilderkunst in het verlengde te liggen van de tekenkunst. Maar ergens raken ze elkaar en op dat punt balanceert de schilderkunst van Cézanne.

Bouguereau en Cezanne
l’ homme a la Pipe (1895) van Cézanne en daarnaast misschien wel het beroemdste schilderij van Georges Braque uit 1910. Cézanne heeft duidelijk de voorzet gegeven voor het analytisch kubisme en Braque en Picasso zagen in hem een vaderfiguur.

“In dezelfde mate waarin je schildert, teken je.” betekent dat de vorm, de richting en de dikte van de kwaststreek de vorm en de tekening van het schilderij bepalen. Bij Cézanne zijn de verfstreken duidelijk zichtbaar. De verftoetsen liggen als dunne schijfjes verf over elkaar heen, vaak in dezelfde richting, soms gedraaid of haaks erop. De toetsen zijn soms zwaar aangezet en soms sterk verdund met terpentine. Zo ontstaat een beeld dat uit facetten is opgebouwd en zo laat Cézanne ons naar de wereld kijken. Doordat zijn beeld uit losse toetsen is opgebouwd die de structuur van de zichtbare wereld proberen te ontrafelen, gebeurt er ook iets met de ruimte. Vooral na 1890 kun je dit duidelijk zien. Het lijkt alsof hij de ruimte gaat bekijken als een diamant met vele facetten. Terwijl het één beeld blijft, verbrokkelt het beeld in een mogelijkheid van beelden. Deze zienswijze die in het analytische kubisme rond 1910 op de spits wordt gedreven, is wel eens vergeleken met de relativiteitstheorie van Einstein. De ruimte die alles overkoepelt en die sinds de Renaissance door het centraalperspectief een eenheidscheppend principe in de kunst is geworden, heeft aan het begin van de twintigste eeuw zijn absolute geldigheid verloren. Ruimte is net als tijd relatief geworden.

citaten van Paul Cézanne [ dekunsten.net ]