Maandelijks archief: oktober 2011

geabstraheerde Middeleeuwen

gisterenavond gezien op Arte: Siegfried en Kriemhilds Rache (1924)

SiegfriedDe Duitse filmpionier Fritz Lang begon in 1922 aan zijn elfde film. Ditmaal was het een zeer ambitieus project dat veel doet denken aan de Tolkienverfilming van Peter Jackson 75 jaar later. De verfilming van het Nibelungenepos uit 1922-1924 was niet alleen een superproductie maar ook een fantasyfilm. Vanwege de lengte werden de film in twee delen gesneden: Siegfried en Kriemhilds Rache. Gisterenavond zond de Frans-Duitse zender Arte beide delen achter elkaar uit en ‘s nachts volgde nog een documentaire over de restauratie van dit filmmonument.

Kriemhilds RacheNa bijna negentig jaar maakt de film nog steeds indruk. Toch kijk ik naar deze film vanuit een andere houding dan ik gewend ben. De cinematografie is beperkt, de traagheid vergt veel van het geduld, het acteerwerk is theatraal. Het is duidelijk een film uit een heel andere tijd. Maar dat maakt het juist zo spannend. De zwijgende film vraagt om een bepaalde manier van acteren en de primitieve cinematografie dwingt tot een bepaalde manier van vertellen.

Siegfried en Kriemhilds Rache staan nog dichtbij het theater en de schilderkunst. De acteurs hebben maskerachtige gezichten en bevriezen deze vaak in een ondubbelzinnige uitdrukking. Het groteske en niet subtiele geeft het expressionistische acteren zijn magische kracht: een fonkelende blik, gemene toegeknepen ogen, een ten hemel geslagen smachtende blik… En altijd onnatuurlijk lang vastgehouden om de emotie te accentueren.

Siegfried 1924
Kriemhilde wijst Hagen Tronje aan als de moordenaar van Siegfried. De meeste scenes zijn zorgvuldig geënsceneerde taferelen die rechtstreeks voortkomen uit de historieschilderkunst.
Het groteske en niet subtiele geeft het expressionistische acteren zijn magische kracht: een fonkelende blik, gemene toegeknepen ogen, een ten hemel geslagen smachtende blik… En altijd onnatuurlijk lang vastgehouden om de emotie te accentueren.

Een ander punt waar je bij een film uit de vroege jaren twintig tegenaan loopt, is de cinematografie. Er zijn nog geen pans, tilts, dollyshots, en andere camerabewegingen. De camera staat altijd op één vast punt. In- en uitzoomen is er ook niet bij. Je hebt dus eigenlijk de ervaring dat je in het theater zit en telkens een nieuwe scene op het toneel te zien krijgt. Ook kun je het vergelijken met een schilderijententoonstelling: telkens krijg je een volgend zorgvuldig geënsceneerd tafereel te zien, dat net als een schilderij een visuele vertelling is. Totaal, half-totaal en close up, dat is alles. Tegenwoordig zou dit slaapverwekkende cinematografie zijn, want we zijn nu gewend dat camera’s bewegen en dat ze ons zelfs fysiek in de film betrekken. De statische camera die een scene veel te lang vast houdt, daar hebben we allang het geduld niet meer voor. En toch is het juist deze manier van filmen die laat zien dat de filmkunst uit het theater en de schilderkunst voortkomt. Kijk bijvoorbeeld naar de filmdecors. Het zijn niet meer de geschilderde decors die in de schouwburg gebruikt werden. En toch ook wel weer, maar dan nu in 3D uitgevoerd op de filmset. De filmdecors zijn net als de geschilderde toneeldecors geïdealiseerd en vertellen het landschap zoals een klassiek schilderij het landschap vertelt: een weggetje dat naar de horizon leidt, halverwege een bruggetje en op de voorgrond de onvermijdelijke boom.

Kriemhilde
kostuumontwerper Paul Gerd Guderian heeft goed naar het werk van Gustav Klimt gekeken

De set decorateurs en de kostuumontwerpers hebben niet letterlijk historische stijlen geciteerd. Je denkt in de donkere Middeleeuwen te zijn, met spookachtige ridderfiguren, jonkvrouwen, dwergen en zelfs een draak. Maar als je beter kijkt, zie je dat je in de jaren twintig bent. Kriemhilde ziet eruit als een schikgodin die zo lijkt weggelopen uit een schilderij van Franz von Stück of Gustav Klimt. De mantel die ze draagt, met geabstraheerde vormen, driehoekjes, cirkels en blokjes, werd in de Middeleeuwen niet gedragen. Het is Wiener Secession, een variant van de Jugendstil waaruit in de jaren twintig de Art Deco is voortgekomen.

Kriemhilds Rache
stills uit Kriemhilds Rache 1924
Ik kijk in twee soorten verleden en ergens zie ik iets heel moderns tevoorschijn komen, een geabstraheerde Middeleeuwen.

Ook in de architectonische decors zijn de Middeleeuwen modern geïnterpreteerd. Het is een geabstraheerde wereld van grote vormen, die je ook tegenkomt bij architecten als Adolf Loos en Erich Mendelsohn. Deze overvloeiende tijdsbeelden vind ik intrigerend. Ik kijk in twee soorten verleden en ergens zie ik iets heel moderns tevoorschijn komen, een geabstraheerde Middeleeuwen met expressionistische acteurs. Componist Gottfried Huppertz heeft in de filmscore geen Wagnermotieven verwerkt, maar zijn muziek is bombastisch genoeg om de associatie met Wagner te maken. Dat komt er dus ook nog bij. Alles bij elkaar zijn de Nibelungenfilms een hutspot van tijdsbeelden: geromantiseerde Middeleeuwse, negentiende eeuws dramatiek en twintigste eeuwse abstractie. Deze verbinding tussen verschillende tijdvakken, tilt ons ergens boven de tijd uit. Anders gezegd: ergens is het nog altijd 1924.

Fritz LangWährend Fritz Lang sich mit diesem Film endgültig seinen Status als bildgewaltiger Regisseur verschaffte, war er für die Ufa bestens geeignet, mit ihrem hochmodernen Technikpark international zu reüssieren. Die Nibelungen gilt als bis dahin teuerste deutsche Filmproduktion. Die Vorbereitungszeit für Drehbuch, Bauten und Kostüme umfasste ein halbes Jahr, in dem ein künstlicher Wald mit neun Meter hohen Bäumen im Studio erbaut und ein 21 meter langer Drache mit lebensechten Bewegungsabläufen erschaffen wurde. Ein Vierteljahr lang kamen in der Wohnung Langs und von Harbous die Kameraleute Carl Hoffmann und Günther Rittau, der Komponist Gottfried Huppertz, der Maskenbildner Otto Genath, die Architekten Otto Hunte und Erich Kettelhut sowie der Techniker Karl Vollbrecht und der Kostümbildner Paul Gerd Guderian zu ausgedehnten Regiesitzungen zusammen. Dabei wurde jedes Detail, von den aufwendigen Bauten bis hin zum Gang eines Darstellers, diskutiert.
 
Bron: arte.tv

Siegfried [ imdb.com ] | Kriemhilds Rache [ imdb.com ] | Fritz Lang foto’s

Schotlander in de Rijn

gisteren foto’s gemaakt in Natuurpark Meinerswijk bij Arnhem
Galloway
Galloway I
Galloway
Galloway II
De Galloway is kortbenig en heeft een ruig haarkleed, dat hem ‘s winters in staat stelt buiten te blijven grazen en zelfs tijdens strenge kou te overleven. Het haar van de Galloway is lang en golvend en ook de oorschelpen zijn karakteristiek. Galloway-koeien hebben een gemiddelde schofthoogte van 120 cm en wegen 450-590 kg: stieren zijn gemiddeld 130 cm en wegen 600-900 kg. De dieren zijn robuust en vruchtbaar. Vaarzen zijn dekrijp op een leeftijd van 20-27 maanden, de tussenkalftijd bedraagt 365 dagen.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Galloway
Galloway III

vriendenvanmeinerswijk.nl

dit-nu-hierheid

wat had Martin Heidegger met het denken van Duns Scotus?
over de concrete nabijheid der dingen in de dertiende en twintigste eeuw

Martin HeideggerMet zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1927) heeft Martin Heidegger een fundamentele ontologie willen ontwerpen. In Heidegger en zijn tijd beschrijft Rüdiger Safranski de ontwikkeling van Heidegger’s denken tegen de achtergrond van het Duitse denken aan het begin van de twintigste eeuw. Het is indrukwekkend om Sein und Zeit uit de tijd tevoorschijn te zien komen. In 1915 habiliteert de 25-jarige Heidegger bij de neo-Kantiaan Heinrich Rickert op een studie van de Middeleeuwse scholasticus Duns Scotus

Edmund HusserlIn het Middeleeuwse denken heeft Heidegger iets moderns en dus actueels ontdekt, dat aansluit op de fenomenologie van Edmund Husserl. Husserl wil zurück zu den Sachen selbst. Via de zogenaamde fenomenologische reductie wil hij door het web van abstracties die de taal schept heenbreken om in de nabijheid van de dingen zélf te kunnen komen. Ook de laat-dertiende eeuwse nominalist Duns Scotus (1266-1308) zocht naar deze nabijheid en noemde dit de haecceitas.

Duns Scotus noemt het dusdanig individuele de „haecceitas„, wat letterlijk vertaald de „dit-nu-hierheid„ van de dingen betekent.

Duns ScotusIn zijn studie Die Kategorien- und Bedeutungslehre des Duns Scotus bestudeert Heidegger de tekst de modus significandi sive Grammativa speculitiva, die waarschijnlijk geschreven is door Thomas van Erfurt uit de School van Duns Scotus. De haecceitas (‘dit-nu-hierheid’) van Duns Scotus neemt Heidegger over en noemt dit eerst de facticiteit en later de existentie. Zo is er dus door de bestudering van Duns Scotus door Martin Heidegger een directe band gekomen tussen het nominalisme van de dertiende eeuw en de existentiefilosofie van de twintigste eeuw.

Dat er een zijnde is (…) waarmee alles begint, is evident. Minder vanzelfsprekend is dat het zijnde altijd alleen maar als een zijnde, als een bepaald iets, dus als ‘één iets’ voorkomt, maar na enig nadenken is dat ook wel duidelijk. Maar het ‘ene’ is het ene alleen in onderscheid met iets wat ervan verschilt (‘diversum’).
(…)
Maar hier bij die oorsprong begint al de haarfijne barst tussen het denken en het zijnde. Want, zo kun je je afvragen, is het een eigenschap van het ene zelf om niet het andere te zijn? Nee, elk zijnde is wat het is, en dat ‘niet-het-andere-zijn’ behoort niet tot zijn eigenschappen. Dat ‘niet’ wordt alleen door het vergelijkende denken aan de dingen toegevoegd. De dingen zijn als het ware in zichzelf gesloten, ze kunnen zich niet met elkaar vergelijken en zich daarom ook niet actief van elkaar onderscheiden. Ze onderscheiden zich niet van elkaar, maar het is mogelijk om ze te onderscheiden – door ons denken. Dat is een ontdekking met een verstrekkende betekenis. In Heideggers bewoordingen houdt zij in: Wat reeël existeert, is iets individueels (ondeelbaar). Duns Scotus noemt het dusdanig individuele de ‘haecceitas‘, wat letterlijk vertaald de ‘dit-nu-hierheid’ van de dingen betekent. Het respectieve is op zijn ruimte-tijd-punt iets eenmaligs.
Jos van Riswick
Jos van Riswick
Still life with five quinces (2011)
De dingen zijn als het ware in zichzelf gesloten, ze kunnen zich niet met elkaar vergelijken en zich daarom ook niet actief van elkaar onderscheiden.

Rüdiger Safranski

De betekenis van die ontdekking is verstrekkend, omdat zij op elementair niveau duidelijk maakt dat onze rede of ratio op rationele wijze van zichzelf kan abstraheren en onderscheid maken tussen wat de dingen op zichzelf zijn en wat ons denken toevoegt. Op zichzelf zijn het zuiver afzonderlijke dingen waartussen het verstand zich vergelijkend, verbindend en ordenend heen en weer beweegt.
 
Heidegger drukt dat in aansluiting op Duns Scotus zo uit: wij projecteren het zijnde, dat louter uit verschillende, afzonderlijke dingen (heterogeniteiten) bestaat, in een homogeen medium, waarbinnen wij het kunnen vergelijken, begrijpen en ook gewoon tellen. Wat die homogeniteit inhoudt wordt bijzonder duidelijk bij de getallenreeks. Als ik vijf appels tel, is het feit dat een appel de derde in de rij is geen eigenschap van die appel, want aan die appel zélf verandert niets als ik hem uit de rij neem. Aan de ene kant is er dus de heterogene verscheidenheid en aan de andere kant het homogene medium waarbinnen geteld kan worden. In de verscheidenheid van zijnden bestaat het getal niet, maar – en dat is beslissend voor de analoge verhouding – het is het zijnde in zijn verscheidenheid dat het tellen pas toelaat. Zo zijn beide domeinen met elkaar verbonden. Tussen de verscheidenheid van de afzonderlijke dingen en de ordening ervan in de getallenreeks bestaat nu juist de verhouding van de analogie.
 
uit: Heidegger en zijn tijd, door Rüdiger Safranski, Uitgeverij Contact 1995, 2000
Nederlandse vertaling: Mark Wildschut

Stillevens van Jos van Riswick [ postcardfromholland.blogspot.com ]