Maandelijks archief: november 2011

volg de meester [ 21 ]

twee olieverfschetsen naar Rembrandt

Om meer inzicht te krijgen in de ziens- en werkwijze van Rembrandt, ben ik begonnen met het “kopiëren” van een klein paneel dat hij in 1632 maakte van de Aanbidding van de koningen. De mis en scene en de dramatische belichting (de zogenaamde ‘licht regie’) kunnen zo goed bestudeerd worden. Het geheim van het gouden licht zit hem in de withogingen waarover een glacis gelegd is van een transparante aardkleur, die rauwe sienna wordt genoemd. Bovendien is alles vanaf het begin gedrenkt in de goudgele grondtoon van de imprimatura.

Rembrandt kopie
twee olieverfschetsen naar Rembrandt
een schetsmatige reconstructie van zijn compositie en lichtregie.

Het is fascinerend om te ontdekken hoe je met een beperkt aantal pigmenten (rauwe sienna, gebrande sienna, omber, oker, zinkwit en Van Dijck bruin) een zeer delicaat coloriet kunt opbouwen. Het beeld is opgebouwd uit ‘grijzen’, waarbij gemodelleerd is in subtiele toonverschillen tussen koel en warm ‘grijs’. Door het beperkte palet blijft het kleurgebruik subtiel.

volg de meester [ 1-21 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan

hedendaagse Nederlandse tekenaars [ 14 ]

zondagmiddag bezocht ik de tentoonstelling Collecties in Galerie Wit
en kocht ik Ook de wakkeren missen veel van Marcel Reijerman

Samen met Erik Odijk (1959), Paul Klemann (1960), Bernard Verhoeven (1960) en Marcel van Eeden (1965) behoort Marcel Reijerman (1958) tot mijn favouriete hedendaagse Nederlandse tekenaars. In zijn werk zit die labyrinthische raadselachtigheid, die mij ook zo intrigeert in het werk van Paul Klemann en Bernard Verhoeven. Reijerman tekent meestal op gekleurd Ingres papier met houtskool en conté. De ribbelstructuur en de gekleurde ondergrond van het Ingres papier bepalen overal de uitdrukking van de tekening. Geen stukje van het papier blijft onbedekt. Net als bij Outsider Art is er bij Reijerman een sterke innerlijke drang om te vullen met een voortwoekerend eigen idioom waarmee de rafelranden van droom en werkelijkheid worden afgetast. “And our little life is rounded with a sleep.”

Marcel Reijerman
Marcel Reijerman Ook de wakkeren missen veel een uitgave van Galerie Wit, 2007
Het toneelstuk wachten op Godot van Samuel Beckett is de existentialistische versie van Sam en Moos die naar Parijs zouden gaan. Ze gingen niet. Bij Beckett komt Godot niet opdagen, maar bij Reijerman is hij dan eindelijk gekomen. De menselijke existentie is van zijn uitzichtloosheid ontdaan; het geloof in eigen kunnen is hersteld. Hier kun je vandaan komen en daar kun je naar toe, houdt zijn werk ons voor: we zijn vrij om te gaan en staan waar we willen. Het werk van Reijerman staat bijna letterlijk bol van de verwijzingen die je in de traditionele kunsthistorische zin kunt bekijken, interpreteren en verklaren. Maar als je daarmee klaar bent, blijft er nog zoveel over waar je geen greep op krijgt dat je het even niet meer weet. En even kan bij Reijerman lang duren. Er gebeurt zoveel tegelijkertijd dat je verloren raakt. Je moet je op jezelf terugtrekken om in zijn tekeningen en schilderijen een plaats te vinden, vanuit de contemplatie van een heremiet.
 
Alex de Vries in “Ook de wakkeren missen veel” (november 2007)

meer hedendaagse tekenaars

desolate oppervlakkigheid

Conversation piece III: John Currin ontmoet Cornelis van Haarlem
Frans Hals Museum Haarlem t/m 8 januari 2012

John CurrinJasper Krabbé wist in de laatste aflevering van het kunstprogramma Opium de tentoonstelling Conversation piece III in het Frans Hals Museum goed te verkopen. De Amerikaanse schilder John Currin (1962) schildert in een stijl die hij baseert op zestiende en zeventiende eeuwse schildertechniek, taferelen die hij o.a. uit pornocatalogi op internet haalt. Currin kijkt door de bril van de oude meesters naar de hedendaagse beeldcultuur. De klassieke schilderkunst wordt zo vanzelf leuk voor het grote publiek, lijkt zijn marketingstrategie.

John Currin kijkt door de bril
van de oude meesters naar de hedendaagse beeldcultuur.

Dat moeten ze bij het Frans Hals Museum Haarlem ook gedacht hebben. De (vaak pornografische) taferelen van Currin worden in de tentoonstelling Conversation piece III gecombineerd met schilderijen van Cornelis Corneliszoon van Haarlem, een maniëristische schilder uit de zestiende eeuw, die ook niet zuinig was met bloteriken. De eenentwintigste eeuwse oppervlakkigheid van John Currin gaat in gesprek met de zestiende eeuwse oppervlakkigheid van de maniërist Cornelis Corneliszoon.

Het Frans Hals Museum combineert schilderijen van John Currin (1962) met onder andere het werk van Cornelis van Haarlem (1562 – 1638). De Amerikaanse kunstenaar John Currin geniet wereldwijd bekendheid door zijn realistische schilderijen waarin alledaagse voorstellingen zich afwisselen met expliciet erotische verbeeldingen. Solotentoonstellingen van Currins werk vonden plaats in het Museum of Contemporary Art in Chicago, de Serpentine Gallery in Londen en het Whitney Museum of American Art in New York. In de serie „Conversation Piece„ wil het Frans Hals Museum zijn bezoekers met een nieuwe blik naar de collectie 16de- en 17de-eeuwse schilderkunst laten kijken.
 
Bron: franshalsmuseum.nl

In de zestiende eeuw schilderde men eindeloos pikante taferelen uit de Metamorphosen van Ovidius. Het waren vooral rijke edellieden en burgers die schilders de opdracht gaven een zinnenprikkelende voorstelling te schilderen. Dat moest wéll gebeuren onder de dekmantel van de high culture van Ovidius . De onderstaande voorstelling van Joachim Wttewael waarin Mars en Venus door Vulcanus in bed betrapt worden, is een goed voorbeeld van versluierde zestiende eeuwse pornografie die gelegitimeerd wordt door het klassieke thema. Toch is de opdrachtgever blijkbaar niet zeker geweest of die legitimatie voldoende was. Voor de zekerheid liet hij het ranzige tafereeltje op dun koper schilderen en in klein formaat, zodat hij het gemakkelijk en snel ergens onder kon schuiven, net als een pornoblaadje.

Joachim Wttewael
Joachim Wttewael (detail)
Venus en Mars verrast door Vulcanus, 1601
Dit ranzige werkje is op dun koper geschilderd (20,8 x 15,7 cm) en was net als een pornoblaadje gemakkelijk en snel te verbergen.

Als je de onversluierde eenentwintigste pornografische schilderijen van John Currin naast deze zestiende eeuwse versluierde pornografie houdt, lijkt de conclusie zo gemaakt: Er is helemaal niets veranderd. En toch is dat niet helemaal waar. In de zestiende eeuw werd nog versluierd, terwijl in de eenentwintigste eeuw alle bedekking, en ook heel veelzeggend, het schaamhaar is afgeschoren. We zijn door de massamedia zo aan pornografie en de oppervlaktecultus gewend geraakt, dat een oppervlakkige vergelijking als “John Currin doet in wezen precies hetzelfde als Joachim Wttewael” gemakkelijk gemaakt wordt. Maar hij doet eerder hetzelfde als Jeff Koons: het uithollen van alle mogelijke inhoud, zodat de lege huls overblijft. Ondanks zijn fabelachtige techniek blijft er bij John Currin tenslotte een desolate oppervlakkigheid over.

When a population becomes distracted by trivia, when cultural life is redefined as a perpetual round of entertainments, when serious public conversation becomes a form of baby talk, when, in short, a people become an audience and their public business a vaudeville act, then a nation finds itself at risk; culture death is a clear possibility.

Neil Postman, 1985

John Currin’s popularity resides precisely in his distance from painting and his proximity to TV culture. Neil Postman, who died recently, was a valuable guide to that culture. His “Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the age of Show Business“ (1985) had some things to say that apply here: “When a population becomes distracted by trivia, when cultural life is redefined as a perpetual round of entertainments, when serious public conversation becomes a form of baby talk, when, in short, a people become an audience and their public business a vaudeville act, then a nation finds itself at risk; culture death is a clear possibility.“ Earlier, in “The Disappearance of Childhood“ (1982), Postman argued that television abolished the difference between childhood and adulthood by making both reliant on the same sources for information and entertainment. The destruction of childhood points to the dissolution of adulthood as well. The phenomenon of John Currin testifies to Postman’s prescience.
 
Bron: artcritical.com

John Currin [ en-wikipedia.org ]