Maandelijks archief: februari 2012

Weltgeist zu Pferde

gelezen in Duitse Filosofie 1760-1860 van Terry Pinkard
de systeemfilosofie van Georg Friedrich Wilhelm Hegel

In de geschiedenis van de filosofie is het historische feit al ontelbare malen genoemd. Karl Vorländer is er in zijn Geschichte der Philosophie (1908) kort over. Hij besteedt er slechts één bijzin aan: -in Napoleon hatte er den “Weltgeist zu Pferde” bewundert-. En Joachim Störig schrijft in zijn Kleine Weltgeschichte der Philosophie (1959) : “Hij had Napoleon gezien. “Het is inderdaad een wonderlijke ervaring zulk een individu te zien, dat, hier in één punt geconcentreerd, op een paard zittend, in de wereld ingrijpt en haar beheerst.” Het gaat hier natuurlijk over Georg Friedrich Wilhelm Hegel, de onbetwiste krachtpatser van het Duitse idealisme.

Napoleon trekt over de Alpen
David schilderde Napoleon in 1801 als Wereldgeest te paard. Rond 1850 schilderde Paul Delaroche een minder heldhaftig beeld van Napoleon.

Wereldgeest te paard. Sinds we niet meer kunnen geloven dat God op een ezeltje zijn intocht in Jeruzalem maakte, is er een breuk tussen hemel en aarde, en deze is zo dramatisch dat de hemel nu aan scherven op straat ligt. Het is bijna een nostalgisch plaatje, zo’n wereldgeest te paard. Het hoogste woord dat vlees geworden is, zoals het in die goeie ouwe tijd gewoon nog kon. Hegel’s Weltgeist is in deze tijd eigenlijk niet meer zonder ironie te verstaan. Voor Hegel had zijn “ontmoeting” met Napoleon een religieuze dimensie. In de kleine korporaal op zijn witte paard zag hij werkelijk de Absolute Geest die in en door de wereldgeschiedenis werkzaam is. Hij bewonderde Napoleon ook als zodanig, niet als persoon of om zijn strategische talent, maar omdat volgens hem in Napoleon de Weltgeist zijn uitdrukking had gevonden.

Hegel zou in de jaren twintig van de negentiende eeuw school maken in Berlijn zoals nog nooit een filosoof school had gemaakt, zelfs Kant niet. Hegel’s systeemfilosofie werd de officiële staatsfilosofie van Pruisen. Talloze studenten hebben college van hem gehad. Wanneer je zijn systeem niet volgde, kon je een leerstoel in de filosofie wel vergeten. Dat verklaart ook waarom de eerste druk van Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1819 op de plank bleef liggen. Er was in Pruisen gewoon geen ruimte voor een andere filosofie dan de filosofie van Hegel. Zeker niet voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Hegel regeerde vanuit Berlijn als alleenheerser over het Duitse denken. Daarbij speelde de politiek van de Restauratie geen onbelangrijke rol.

Terry PinkardEigenlijk nam de systeemfilosofie van Hegel tijdens de Vormärz dezelfde positie in als het systeem Leibniz-Wolff in de eerste helft van de achttiende eeuw: het rechtvaardigde de staat. Zoals de theodicee van Leibniz (“God heeft de beste wereld van alle mogelijke werelden geschapen.”) in Duitsland de verlichte despoten in het zadel hield, zo steunde de centrale gedachte van het systeem van Hegel (“het werkelijke is redelijk en het redelijke is werkelijk.”) de Restauratie. De staatsfilosoof zag dat het goed was. Pas na de maartrevolutie van 1848 was het met de hegemonie van Hegel aan de Duitse universiteiten gedaan en begon men open te staan voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Deze was na dertig jaar wachten op erkenning zo verzuurd geraakt, dat hij niet meer van zijn succes heeft kunnen genieten.

Aanvankelijk had de conservatieve Hegel helemaal opengestaan voor de idealen van de Franse Revolutie. Tijdens zijn studietijd in Tübingen deelde hij met zijn vrienden Hölderlin en Schelling de passie voor de oude Grieken en het enthousiasme voor de revolutie. Schelling was een geniale leerling. In 1798 werd hij op 23-jarige leeftijd al hoogleraar in Jena, terwijl de vijf jaar oudere Hegel als privéleraar moest zien rond te komen. Maar de vriendschap bleef bestaan en een paar jaar later kwam ook Hegel naar Jena. Daar werkte hij verder aan een eigen denksysteem. Hegel was een erg diepgravende denker en net als Kant had hij veel tijd nodig om zijn klus te klaren. Maar toen het er eenmaal was, bleek zijn systeem consistenter dan dat van Schelling. Naar eigen zeggen voltooide Hegel zijn magnum opus Phänomenologie des Geistes op 14 oktober 1806, in de nacht vóór de Slag bij Jena. Het leidde tot een breuk met Schelling. Hegel vond dat deze het absolute zag als “die Nacht, worin, wie man zu sagen pflegt, alle Kühe schwarz sind”. In hun studententijd in Tübingen hadden ze nog een vrijheidsboom geplant en hoopten ze op een nieuw tijdperk. In 1806 was voor Hegel niet alleen het einde van de geschiedenis bereikt maar ook het einde van zijn vriendschap met Schelling.

Dichter und Denker
twee eigen interpretaties van de bekende portretten van Hegel en Schelling

Hegel had in de jaren negentig van de achttiende eeuw een aantal theologische verhandelingen geschreven over het Christendom, in het bijzonder over de liefde van Christus. Aanvankelijk zag hij in de liefde van Christus de kracht die alle tegenstellingen verzoent. Maar in Der Geist des Christentums und sein Schiksal (1799/1800) komt hij tot de conclusie dat deze “idee” te eenvoudig en te beperkt is. De liefde heft volgens Hegel de objectiviteit op, omdat er in de liefde geen scheiding meer bestaat. Objectiviteit kan echter alleen bestaan bij gratie van de subjectiviteit. Voor Hegel is objectiviteit noodzakelijk voor zijn systeem. Het lot van het Christendom is om te worden opgeheven. Tot die conclusie komt hij in 1799. Hegel gebruikt hier het Duitse woord ‘aufheben’ in drie betekenissen: beendigung, aufbewahrung, erhöhung. Deze “aufhebung” moet komen van een Aufheber die Hegel zelf meent te zijn. We wisten al dat filosofen die denksystemen bouwen geen bescheiden types zijn.

De Absolute Geest die Hegel in 1806 in Phänomenologie des Geistes presenteert, is niet de Heilige Geest uit het Christendom. Het is een uiterst abstract begrip en het doet op het eerste gezicht vermoeden dat Hegel een monist is, een erfgenaam van Plotinos. Maar Hegel is juist een erfgenaam van Heraklitos. In zijn Logik (1817) schrijft hij dat er geen woord van Heraklitos is dat hij niet in zijn logica heeft opgenomen. In de negentiende eeuw komt er een heuse Heraklitos-revival op gang. Soms spreekt men zelfs van “neoheraklitisme” en je zou zelfs een lijn kunnen trekken van Hegel, via Nietzsche naar Heidegger. Zoals er voor Heraklitos alleen nog “een worden” bestaat, zo is er voor Hegel een dialectische ontwikkeling waarin de tegenstellingen zich uiteindelijk opheffen.

Het grote gebeuren van de werkelijkheid zélf, het wereldgebeuren waaronder Hegel de wereldgeschiedenis verstaat, wordt volgens hem aangedreven door strijd tussen de tegenstellingen. Daarin zijn de twee uitspraken van Heraklitos terug te vinden: “De tegengestelden hebben elkaar nodig zoals de boog en de pees” en “Oorlog is de vader van alle dingen”. De tegenstelling tussen de subjectieve geest (het individu) en de objectieve geest (de wet) lost zich volgens Hegel op in de Absolute Geest. Hegel heeft het Christendom opgeheven en schept nu zelf een nieuwe drie-eenheid: subjectieve geest, objectieve geest en Absolute Geest. In de Absolute Geest plaatst hij vervolgens een hiërarchie die uit drie sferen bestaat: de kunst, de religie en de filosofie. De filosofie overtreft bij Hegel de kunst en de religie. En onder de filosofie verstaat hij natuurlijk zijn eigen filosofie. Denken en zelfgenoegzaamheid gaan soms uitstekend samen en als de staat daar nog bij komt, heb je totalitarisme.

Geen Duits idealisme zonder ethiek [ athenaeum.nl ]

nog één keer die hele negentiende eeuw

zondag gezien op NTR Podium: Extase van Carine Bijlsma
over de uitvoering van de Gurrelieder (1903) van Arnold Schönberg

Arnold Schönberg“Dit stuk, dat pakt nog één keer die hele negentiende eeuw samen op een schaal zoals niemand dat ooit gedaan heeft. Een autodidact, die niet eens op het conservatorium gezeten heeft. Hou oud was hij, 26, 27? toen hij dit stuk maakte? Dat is ongeloofelijk geniaal.” aldus dirigent Reinbert de Leeuw over de Gurrelieder (1903) van Arnold Schönberg.

Documentairemaakster Carine Bijlsma volgt in Extase de dirigent tijdens de voorbereiding van zijn droom: de uitvoering van de Gurrelieder met de grootste orkestrale bezetting aller tijden: 356 personen! Alleen het orkest bestaat al uit 84 strijkinstrumenten. Daarbij komen nog een aantal koren van in totaal 200 personen. Een ambitieus project én een mammoetonderneming.

fragment uit Extase

De documentaire is vooral een eerbetoon aan Reinbert de Leeuw en een portret van een man die bezeten is van muziek en reflecteert over zijn werk: “Fantastisch om dat mee te mogen maken… Dat het in jouw handen zit… Zo’n stuk, daarvan ben jij natuurlijk het centrum… Het heeft ook met macht te maken… Het is verslavend natuurlijk… Jij bepaalt wat er gebeurt.”

Van de uiteindelijke uitvoering wordt alleen het slotakkoord getoond met een close up van het gezicht van de dirigent tegen een donkere achtergrond. Ik moest denken aan de woorden van Skrjabin: “Ik wil mijn publiek laten stikken in extase”. Je ziet het gezicht van De Leeuw aanzwellen bij de laatste maten, de ogen beginnen uit te puilen, de adem stokt … en dan is het voorbij. “Als je zo intens met muziek bezig bent… en als het dan afgelopen is. Dat is on-ver-dra-ge-lijk. Vreselijk! Dat is in het zwarte gat vallen. Dat is het echt.”

Extase is niet alleen een prachtig portret van Reinbert de Leeuw maar laat ook iets horen van die opgezwollen late negentiende eeuw. Met de Gurrelieder (1903) was Schönberg nog niet de atonale weg ingeslagen en zat hij net als Mahler en Skrjabin op het staartje van de Romantiek. Een laatste maal nog zwelt de geest van Wagner aan tot een extatische hoogtepunt om daarna uiteen te spatten in de koele klaarheid van de atonaliteit en het modernisme.

ntrpodium.ntr.nl

Rubens & Akkerman

gezien in Avro’s Kunstuur: Philip Akkerman over Rubens
Vlaamse schilders in Hermitage Amsterdam verlengd tot 15 juni 2012

Onder de hedendaagse Nederlandse schilders is Philip Akkerman een van mijn geestverwanten. Net als hij begon ik ongeveer in dezelfde tijd (1981/82) zelfportretten te schilderen in olieverf. Technische ondergrond had ik niet. Ook letterlijk niet, want ik schilderde zonder “grond” op hard board. Toen ik in 1983 naar de kunstacademie ging, hoopte ik daar technische ondergrond te krijgen zodat ik het wiel niet zelf opnieuw hoefde uit te vinden. Olieverf vond men vanwege de lange droogtijd op de academie onpraktisch en werd er voornamelijk met acrylverf geschilderd. En altijd a la prima, hup direct alles in één keer. Net als Philip worstelde ik met het materiaal en had ik een groeiende behoefte aan technische kennis om de weerbarstige olieverf naar mijn hand te kunnen zetten. Behalve een kopie van een hoofdstuk uit het schildershandboek van Max Doerner werd ons op de academie over techniek nauwelijks iets aangereikt. Het bleef bij losse eindjes. Er waren ook geen docenten meer die ambachtelijke kennis in huis hadden. “Concept” en “visie” waren de toverwoorden en woorden als “ambacht” en “techniek” stonden onder verdenking. In het begin van de jaren tachtig werden ze graag in verband gebracht met “inhoudsloos” of “gebrek aan visie”. Dat je je niet alleen achter technische vaardigheid kunt verschuilen, maar ook achter diepzinnige concepten, was toen nog niet echt doorgedrongen.

Philip AkklermanPhilip Akkerman besloot in de jaren tachtig en negentig wat aan zijn gebrek aan technische ondergrond te doen en ging zich verdiepen in de techniek van de oude meesters die schilderden volgens plan: eerst de tekening, dan de toonschildering en vervolgens de kleur. Dat is volgens Akkerman winst, want je kunt je drie maal honderd procent geven, terwijl je je in de a la prima altijd maar één maal honderd procent kunt geven. Daar is wat voor te zeggen: de techniek van de oude meesters geeft je meer controle. Het is een beetje te vergelijken met beeldbewerking in Photoshop. Door met lagen te werken, heb je meer overzicht en controle op het totaal. Maar nog belangrijker: door glacerende verflagen wordt de schildering ruimtelijker omdat de lichtbreking niet op maar in de verflaag plaatsvindt.

De zelfportretten van Philip Akkerman vormen een soort logboek van zijn reis door de techniek van de oude meesters.

Anthonie van DyckDe zelfportretten van Philip Akkerman vormen een soort logboek van zijn reis door de techniek van de oude meesters. Begin jaren tachtig is alles nog a la prima. Vergeleken bij zijn latere werk, zien zijn eerste zelfportretten er modderig en dof uit. Wanneer hij eenmaal het wonder van de opbouw in lagen heeft ontdekt, worden zijn portretten doorschijnend en ruimtelijk. Je ziet bij hem duidelijk het plezier en de verwondering over de optische werking van de schildertechniek. Een van zijn grote voorbeelden is Rubens, de Vlaamse meester uit de zeventiende eeuw die onovertroffen is in zijn techniek, vooral als het over vleestinten gaat. Rubens’ techniek is zo los, vrij en open, dat je in het resultaat de verschillende lagen nog kunt herkennen. In de reportage in Kunstuur reisde Philip naar het Rubenshuis in Antwerpen en wees ons op een portret van de jonge Antoon van Dyck, geschilderd door zijn leermeester in 1616.

Van de vele leerlingen en assistenten die bij Rubens werkten, noemde hij Antoon van Dyck (1599-1641) zijn meest getalenteerde. Naar alle waarschijnlijkheid maakte Rubens dit intrigerende portret rond 1616, kort nadat Van Dyck in zijn atelier was komen werken. Het portret vormt het tastbaarste resultaat van Rubens„ bewondering voor zijn jongere collega. Door een aantal subtiele kunstgrepen, zoals de gedraaide houding en het zorgvuldige spel met licht en schaduw, is Rubens erin geslaagd het effect van een snapshot te bereiken. Van Dyck lijkt het penseel even te hebben neergelegd en kijkt over zijn schouder zelfbewust en ietwat arrogant in de ogen van de toeschouwer. Toen dit portret werd geschilderd, stond hij aan het begin van een glanzende internationale carrière. In Antwerpen, Genua en Londen oogstte Van Dyck vooral als portretschilder grote bijval. Uiteindelijk bracht hij het tot hofschilder van de Engelse koning.
 
Bron: rubenshuis.be

Akkerman in Kunstuur [ cultuurgids.avro.nl ] | philipakkerman.com
Vlaamse schilders in Hermitage Amsterdam [ hermitage.nl ]