Maandelijks archief: april 2007

vader van het spotzieke ongeloof

vorige maand verscheen een Nederlandse vertaling van de briefwisseling
tussen Voltaire en Frederik de Grote van Pruisen

De afgelopen jaren lijken we een heuse Verlichtingsrevival te beleven. Als antwoord op religieus fundamentalisme wordt teruggegrepen naar het motto van de Verlichting: “Mens durf te denken!”, m.a.w. “Wees eens redelijk!”. Na 9/11 horen we regelmatig dat de islam door de (Europese!) Verlichting heengejaagd moet worden. En blijkbaar is voor andere religieuze groeperingen de Verlichting ook nog niet voltooid. Dat blijkt nu de drie kamerleden van de Partij van de Dieren plotseling als een obscuur groepje sectaristen (want: Zevende Dag Adventisten) wordt afgeschilderd en hun partijprogramma vermengd zou zijn met religieuze uitgangspunten. Het lijkt alsof er een soort seculiere inquisitie is ingesteld onder het banier van de Verlichting die elke religieuze overtuiging de ‘privésfeer’ in moet knuppelen. Ook dat is Verlichting.

het schrikbewind
het is naief om nog steeds aan te nemen dat religie altijd tot oorlog leidt en Verlichting “zum ewigen Frieden”
Immanuel Kant heeft de Verlichtingsidealen nog zien ontaarden.

Want als we de geschiedenis er eens bijpakken, dan zien we dat de Verlichtingsidealen tijdens de omwentelingen in Frankrijk al snel leidden tot een schrikbewind, waarbij religie (toen uitsluitend het Christendom) werd afgeschaft. Dat gebeurde in 1793 toen Robbespiere een Eredienst voor het Opperwezen instelde, een nieuwe kalender begon en de Notre Dame in Parijs omdoopte in de Tempel van de Rede. Dat was allemaal al voorbereid door een aantal Verlichtingsfilosofen waaronder Voltaire ongetwijfeld de scherpste was. Wanneer er nu aan het begin van deze nieuwe eeuw beweerd wordt dat de islam een Voltaire nodig heeft, moeten we ons goed realiseren wie Voltaire was. Als vrolijke vernietiger van heilige huisjes doet hij het goed in het tijdperk van individualisme, maar honderd jaar geleden zag men dat heel anders. Gisteren las ik dit over hem in een katholiek leerboek geschiedenis uit 1907:

Voltaire

Hij was opgegroeid in de hoogere kringen der maatschappij en daarin behoorde lichtzinnige nietsontziende spot tot den modetoon. Hij was de vader van het spotzieke ongeloof en met een daemonische haat tegen het christendom bezield. Als mensch en als karakter stond hij zeer laag. Langen tijd was hij bevriend met Frederik de Groote, die hem uitnoodigde zich aan zijn hof te vestigen.
“Hij was de vader van het spotzieke ongeloof en met een daemonische haat tegen het christendom bezield.”

Natuurlijk wordt dit zo gezien vanachter katholieke brillenglazen van honderd jaar oud. Maar het is goed om de huidige visie daarmee te relativeren. Om Voltaire zélf eens goed te leren kennen, kun je bijvoorbeeld zijn brieven lezen die hij schreef naar Frederik van Pruisen. Sinds vorige maand kan dat ook in een Nederlandse vertaling. Het is ook een uitstekende manier om een groot deel van de achttiende eeuw van binnenuit te leren kennen. De correspondentie beslaat namelijk een periode van 42 jaar ! (1736-1778) Egodocumenten bieden vaak een heel natuurlijke ingang tot een historische periode. En dat beide heren een ego hadden, daar hoeven we niet aan te twijfelen.

Voltaire en Frederik de Grote, twee van de allergrootste figuren van de achttiende eeuw, twee bijzonder gecompliceerde figuren ook, die zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelden, maar elkaar vaak ook niet konden verdragen. Ze voerden een correspondentie van 42 jaar, een correspondentie die een heel leven omvatte en bijna een hele eeuw. Frederik was 24 jaar oud en nog geen koning toen hij zijn eerste brief vol bewondering schreef naar de al internationaal beroemde Voltaire. De laatste brief schreef Voltaire op zijn ziekbed in april 1778. In mei zou hij sterven. Door middel van deze eerste Nederlandse uitgave van alle bewaard gebleven brieven kan de lezer zich rekenschap geven van de grote rijkdom van stijl en onderwerpen. De typische achttiende-eeuwse gewoonte om elkaar te prijzen neemt vaak hyperbolische vormen aan, waardoor de lof, hoewel meestal gemeend, een ironisch tintje krijgt. Ook de gewoonte om een briefte versieren met een gedichtje wordt trouw gevolgd.
 
Correpondentie Voltaire en Frederik de GroteDe onderwerpen raken aan praktisch alles wat de mensen van die tijd bezighield, van filosofie, literatuur, natuurwetenschappen, medicijnen, rijkdom en armoede, economie en politiek en de grote vraagstukken van oorlog en vrede, tot alledaagse zaken zoals de vele ziekten van Voltaire, de jicht van Frederik, zijn wanhoop en verbetenheid tijdens de zevenjarige oorlog, of eenvoudigweg het porseleinen servies dat Voltaire van Frederik krijgt, en in het voorbijgaan maken we kennis met een groot aantal uiteenlopende persoonlijkheden en hun door de schrijvers al dan niet bewonderde theorieën. Kortom, een genot om te lezen en een bron van kennis ontrent de achttiende eeuw en de ideeën van de Verlichting.
 
Bron: nnbh.com

Voltaire [ wikipedia ]

grote sprong voorwaarts

60 jaar Magnum Photos

Henri Cartier-Bresson, een van de oprichters van Magnum Photos in 1947, maakte op 1 oktober 1958 onderstaande foto. Net als zijn beroemde momentopname Derrière la gare Saint-Lazare uit 1932 (zie detail rechts bij button fotografie), bevrijdt hij hier het moment niet alleen van de tijdelijkheid maar ook van de zwaartekracht. Iedereen hangt hier in de lucht terwijl de Grote Roerganger zélf onzichtbaar aanwezig is. Poëzie en journalistiek met elkaar verenigd. Icoon van een grootse idee, die bijna 50 jaar later weer vragen oproept. Is China inmiddels weer met beide benen op de grond of nu pas echt bezig met zijn grote sprong voorwaarts?

leap forward
Henri Cartier-Bresson
Beijing 1 oktober 1958

henri cartier-bresson

Magnum is a community of thought, a shared human quality, a curiosity about what is going on in the world, a respect for what is going on and a desire to transcribe it visually.

Henri Cartier-Bresson

magnumphotos.com

Honderd jaar geleden …

… schilderde Picasso les demoiselles d’Avignon

Het gebeurt wel vaker dat ik na het lezen over een bepaalde periode in de geschiedenis gelijk doortuimel naar de kunst uit die periode. Waar politieke gebeurtenissen de buitenkant van de geschiedenis tonen, laat de kunst de binnenkant zien. De laatste weken heb ik verslag gedaan over de Eerste Wereldoorlog, waarover ik gelezen heb in tenminste drie boeken: voornamelijk in De Eerste Wereldoorlog van John Keegan, daarnaast het tweede hoofdstuk van In Europa van Geert Mak en tenslotte in Eeuw van uitersten, de korte twintigste eeuw 1914-1991 van Eric Hobsbawm.

De Schok van het NieuweDit weekend haalde ik ook mijn scriptie geschiedenis over het ontstaan van de moderne kunst weer eens tevoorschijn, die ik 25 jaar geleden schreef voor mijn VWO-examen. In diezelfde tijd keek ik met rode oortjes naar de serie documentaires De Schok van het Nieuwe van Robert Hughes, die de NOS in het najaar van 1981 uitzond. Het valt me op dat ik als 18-jarige al precies in dezelfde dingen geinteresseerd was als tegenwoordig en dat ik in veel opzichten toen al evenveel wist als nu. In de 25 jaar die achter me liggen, heeft die kennis zich ‘slechts’ verdiept. Karl Popper heeft natuurlijk gelijk wanneer hij stelt dat kennis altijd groeit en dat kennis daarom nooit ‘af’ kan zijn. Het interpreteren gaat dus altijd verder en het laatste woord is nooit gezegd. De vraagstelling van mijn onderzoek: “waarom gaat men de zichtbare werkelijkheid in de kunst tot een probleem maken en anders af- en uitbeelden?” blijft in zekere zin nog steeds onbeantwoord. Het blijft geheimzinnig waarom de kunst 100 jaar geleden zo ingrijpend veranderde.

De avant-garde schilderkunst waaierde tussen 1870 en 1920 uit in een delta van ismen voordat het in een zee van modernisme en later post-modernisme zou uitmonden. Want tegenwoordig kan eigenlijk alles weer. Ik kwam bijna onvermijdelijk in de geijkte tunnelvisies en simplificaties terecht: koppelde met het grootste gemak de formulering van de relativiteitstheorie uit 1905 aan de kubistische ruimte, de harde kleuren en scherpe lijnen van fauvisme en expressionisme aan een moedwillige breuk met het verleden, het dadaisme als cynisische reactie op een cultuur die haar vooruitgangsideaal aan stukken had zien vliegen. De Eerste Wereldoorlog zag ik toen ook al als hét kantelmoment uit de twintigste eeuw. Niet alleen verdween in 1919 het oude Europa, ook de oude kunst had plaats gemaakt voor het modernisme. Kenmerkend voor de vroege periode van het modernisme is de verbrokkeling, de deformatie. Het is alsof de zichtbare werkelijkheid op de ontleedtafel is gelegd en aan alle kanten wordt opengesneden.

Picasso
les demoiselles d’Avignon, 1907

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat Picasso les demoiselles d’Avignon schilderde: het begin van het kubisme en eigenlijk ook het officiële begin van de moderne schilderkunst. Honderd jaar later worden we elke dag zo overspoeld met beelden dat we bijna nergens meer van opkijken. Maar voor het publiek van toen was dat schilderij een grote schok en Robert Hughes wist die schok prachtig te reconstrueren. Alles raakte in een stroomversnelling en opeens ging het heel hard. Zes jaar later presenteerde Malewich zijn ‘zwarte vierkant’. De kunstcritici verzuchtten: “alles waar we van hielden is verloren. We zitten in de woestijn. Voor ons staat een zwart vierkant tegen een witte achtergrond.” Nog voordat de Eerste Wereldoorlog begon, was de schilderkunst al om zeep geholpen…