Maandelijks archief: september 2016

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]

de god van Spinoza

gelezen: Hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerPrecies drie jaar geleden verscheen De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas. Tegenover Wim Brands legde Veenbaas in VPRO Boeken uit welk misverstand er volgens hem over de Verlichting bestaat. Als het om de historische Verlichting gaat, een periode die Veenbaas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw laat beginnen, werd de rede niet verheerlijkt maar juist ondergraven door het scepticisme. De grote Schotse filosoof David Hume was zeker niet de eerste die twijfelde aan de almacht van de rede. Had de rationalist Descartes het tijdperk van de moderne filosofie niet ingeleid, door de methodische twijfel als grondslag te kiezen? Maar Descartes vond uiteindelijk nog een veilige haven in het christelijke geloof. Honderd jaar later is er van die veilige haven weinig meer over. Traditioneel wordt de rationalist Spinoza aangewezen als de grote opruimer van het oude geloof. De joodse gemeenschap in Amsterdam had Spinoza in 1656 geëxcommuniceerd. Hij werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft Spinoza de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

Spinoza werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft hem de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

In hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst van zijn boek, verwondert Veenbaas zich erover dat Spinoza nog altijd te boek staat als een atheïst. Je leest telkens weer een “hoe is het mogelijk?!” tussen de regels door. Spinoza‘s filosofische bouwwerk was namelijk gefundeerd in een godsbewijs! Hoe kan juist een denker die, net als de middeleeuwse filosofen, vertrekt bij een ontologisch godsbewijs, voor een godsloochenaar worden uitgemaakt?! Volgens Veenbaas was Spinoza alles behalve een atheïst, hij was zelfs een zuivere christen, al hield hij er onorthodoxe denkbeelden op na.

Natuurlijk staat of valt de juist beantwoording van de vraag “was Spinoza een atheïst?” met ons begrip of beter gezegd onze kennis van God. Spinoza sprak in zijn Tractatus theologico politicus (1670) en in zijn Ethica (1678) veel over god. Maar hij verstond onder god iets anders dan de orthodoxe joden en christenen van zijn tijd. Voor Spinoza viel god samen met de natuur. Hij was dus een pantheïst. In het pantheïsme is geen plaats voor een persoonlijke God die de wereld geschapen heeft. God valt samen met de wereld. Er is dus geen onderscheid tussen Schepper en Schepping.

Spinoza werd de hele achttiende eeuw als atheïst beschouwd en spinozisme was een synoniem van atheïsme en pantheïsme. In de eenentwintigste eeuw komt de religieuze beleving van de meeste mensen echter heel dicht bij die van Spinoza. Zeker in de populaire New Age, die de geïnstitutionaliseerde religies achter zich heeft gelaten, is god een energie geworden die in de materie werkzaam is. Het is dus niet verwonderlijk dat Spinoza nu zo actueel is. En het is ook niet vreemd waarom we moeilijk kunnen begrijpen waarom Spinoza als atheïst gezien werd/wordt.

Wanneer je in een persoonlijke God gelooft, dan is al datgene wat daartegenin gaat atheïsme. Niet alleen de substantie (=god) van Spinoza, maar ook de goddelijke energie (=god) uit de New Age en ook de abstracte god van het deïsme. Atheïsme hangt dus af van je eigen godsbegrip. Zo hoeft het meest vage ietsisme, waarin god niet meer is dan “een vermoeden”, zichzelf niet als atheïstisch te beschouwen. Een agnosticus zal tenslotte ook niet van zichzelf durven zeggen dat hij atheïst is.

comak

de vervlakking van Suske en Wiske

de circusbaronIn 1976 las ik bijna iedere week een album van Suske en Wiske. Ik leende ze van de buurkinderen maar was in 1975 ook begonnen zelf albums te kopen, meestal tweedehands op de markt en soms nieuw. Ik spaarde er zo’n tachtig. Gelukkig ontdekte ik op tijd dat de nieuwste Suske en Wiskes niet meer zo leuk waren. Na 1970 was het met deze strip bergafwaarts gegaan en eigenlijk waren de verhalen vanaf 1960 al niet meer zo leuk. Gelukkig heb ik alle verhalen uit de jaren vijftig compleet. Willy Vandersteen zou de eerste 25 of misschien wel eerste 35 zelf getekend hebben. Daarna werd het studiowerk en werd Suske en Wiske volgens formule geproduceerd. De verhalen werden na 1960 moralistisch en sentimenteel, de tekeningen sjabloonachtig.

Suske en Wiske was ooit een van de beste, kleurigste en levendigste strips van Europa, maar werd vanaf de jaren zestig omgevormd tot een kleurloos massaproduct.

In een Stripschrift uit 1979 werd Suske en Wiske uitgebreid onder de loep genomen. De conclusie van een beschouwend artikel over de ontwikkeling van 1946 tot 1979 was duidelijk: Suske en Wiske was ooit een van de beste, kleurigste en levendigste strips van Europa, maar werd vanaf de jaren zestig omgevormd tot een kleurloos massaproduct. Stripschrift noemt het comak analoog aan muzak.

Muzak is het amorfe geluidsbehang dat in supermarkten nu al enige jaren voor “sfeer” moet zorgen. Muzak is muziek zonder dynamische overgangen of tempowisselingen, het is volledig glad en emotieloos; klankruis. Maar de goede luisteraar kan af en toe melodieën herkennen van in oorsprong verre van vlakke of emotieloze muziek. Het is echter de manier waarop hij gespeeld wordt die deze muziek zo vlak en zo doods maakt. Zo is het ook met Suske en Wiske: wat Vandersteen te vertellen heeft is niet wezenlijk veranderd, maar de manier waarop wél. Zoals muziek tot muzak kan geraken, is comic hier comak geworden. Het kan geen toeval zijn dat met de muziek ook Suske en Wiske in de supermarkten terecht is gekomen.
 
uit: Stripschrift 121/122 (1979)

Hergé, de geestelijk vader van Kuifje, heeft de teloorgang van Suske en Wiske in de jaren zeventig nog meegemaakt. Om zijn geesteskind Kuifje te beschermen tegen vervlakking, heeft hij in zijn testament laten vastleggen dat niemand na zijn dood met de avonturen van Kuifje verder mocht gaan. Bij Kuifje is in 1975 de teller op 23 albums blijven staan. Van Suske en Wiske zijn sinds 1975 alweer 177 nieuwe albums verschenen…

Suske en Wiske verhalen uit de jaren zestig
 
de gramme huurling1960 De windmakers 126, De gouden cirkel 118, De zingende zwammen 110 1961 De wolkeneters 109, De klankentapper 103 1962 De wilde weldoener 104, Het hondenparadijs 98, De kaartendans 101 1963 De kwakstralen 99, Het rijmende paard 96, De sissende sampan 94 1964 Sjeik El-Rojenbiet 90,De nerveuze Nerviërs 69, Het zoemende ei 73 1965 De koddige kater 74,De schone slaper 85, De apekermis 77 1966 Jeromba de Griek 72, De dulle griet 78 1967 De poenschepper 67, Wattman 71, Het mini-mierennest 75 1968 De zeven snaren 79, De gramme huurling 82, Tedere Tronica 86 1969 De briesende bruid 92, De junglebloem 97, De dromendiefstal 102

Ik hou het bij de albums uit de jaren vijftig. Die van de jaren zestig zijn weliswaar al veel minder, maar worden in mijn boekenkast als jeugdsentiment gekoesterd. Deze zomer herlas ik voor de zoveelste keer De bronzen sleutel uit 1950/51. Dit verhaal staat op de derde plaats in de Suske en Wiske hitparade. De verhalen uit de legendarische blauwe reeks (1950-1959) staan allemaal hoog genoteerd. Een van mijn favorieten, De circusbaron (1952/53) staat op een zestiende plaats.

Suske en Wiske 60 jaar [ W&V ] | suskeenwiske.ophetwww.net