Maandelijks archief: december 2010

galerij der onsterfelijken

het betrekkelijke van een canon van westerse schilderkunst

De moderne wereldMichelangelo, Rafael en Titiaan, die al eeuwenlang meedraaien in een universele canon van de schilderkunst, lijken te bevestigen dat er iets bestaat dat boven betrekkelijkheid uitstijgt. Toch laat een canon vooral het betrekkelijke van onze collectieve visie op eeuwigheidswaarde en tijdloosheid zien. De laatste jaren word ik mij er steeds vaker van bewust hoe mijn visie op de westerse schilderkunst (vooral die van de negentiende eeuw) bepaald is door de canon uit de handboeken die ik halverwege de jaren tachtig op de kunstacademie als naslagwerk gebruikte: Wereldgeschiedenis van de kunst van H.W. Janson (1962) en De moderne wereld van Norbert Lynton (1966). In beide boeken wordt door de bril van het modernisme naar de westerse (schilder)kunst gekeken. De schilderkunst van de negentiende eeuw werd door het modernisme vooral als een opmaat gezien van de moderne en abstracte schilderkunst. Van Gogh en Cézanne waren door het modernisme als geestelijke vaders geadopteerd. Vervolgens werd van 1899 tot 1800 een rode loper uitgerold, die alleen betreden mocht worden door schilders die voor Van Gogh en Cézanne de weg hadden voorbereid: de impressionisten natuurlijk, Manet, Corot, Turner en Goya. Allemaal schilders die rebelleerden tegen de gevestigde orde van het academisme.

Namen van salonschilders als William Bouguereau, Sir Lawrence Alma-Tadema, Jean-Léon Gérôme, Lord Frederick Leighton, John William Waterhouse en John William Godward kon je tevergeefs zoeken in de canon die in de loop van de twintigste eeuw gestalte had gekregen. De salonschilders beschikten over een fabelachtige techniek en in de negentiende eeuw behoorden zij tot de best betaalde schilders ter wereld. Maar ze stonden haaks op alles waar de moderne schilderkunst voor stond: het a la prima schilderen, het benadrukken van platheid, het taboe op bruin en natuurlijk de spontaniteit en vrije expressie. Omdat ze in de meeste gevallen afwijzend stonden tegenover de moderne ontwikkelingen in de schilderkunst, werden ze in de twintigste eeuw gestraft en uit de Hall of Fame gelazerd.

Omdat de salonschilders in de meeste gevallen afwijzend stonden tegenover de moderne ontwikkelingen in de schilderkunst, werden ze in de twintigste eeuw gestraft
en uit de Hall of Fame gelazerd.

Onze postmoderne tijd heeft weinig met canons en met lijstjes van ‘grootsten aller tijden’. We zijn geneigd om juist de nadruk op het betrekkelijke en het kleine te leggen. Als ‘eeuwige schoonheid’ al bestaat, dan alleen in het vluchtige moment dat altijd aan een bepaalde plaats gebonden is. Dat de door het modernisme verdrongen academische kant van de negentiende eeuw nu weer in beeld mag komen, heeft volgens mij te maken met de postmoderne houding dat ‘alles’ geoorloofd is, nu we bevrijd zijn van dwangmatige vernieuwingsdrang. Als je weer wilt tekenen en schilderen als Rafael, ga je gang. Maar in de twintigste eeuw werd in het kunstonderwijs de ambachtelijke basis onder de schilderkunst weggeslagen. Op de academies voor hedendaagse kunst waren geen leraren meer die hun studenten de technieken van de oude meesters konden leren. Daarom ontstonden er halverwege de jaren tachtig uit particuliere initiatieven alternatieve kunstacademies die het kunstonderwijs van de negentiende eeuwse academie reanimeerden. En zo kwam er vanzelf weer belangstelling voor de vruchten van het academische kunstonderwijs, de salonschilders.

artrenewal.org
het reactionaire Art Renewal Center
een postmodern fenomeen?

Sinds 1990 is er een kentering gaande en staan negentiende eeuwse salonschilders opnieuw in de belangstelling. Er worden weer tentoonstellingen gemaakt waarin hun werk gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld in het Van Gogh Museum) en op veilingen zijn de prijzen voor negentiende eeuwse academische schilderkunst weer gestegen, nadat in de jaren zestig een absoluut dieptepunt was bereikt. Het postmodernisme heeft de canon van het modernisme prettig op losse schroeven gezet.

stuurloos?

heeft het postmodernisme nog een richting of draait het om zichzelf?

In het modernisme betekende ‘nieuw’ altijd ‘beter’. De moderne mens was de nieuwe mens die een nieuwe en dus betere wereld nastreefde. Weg van het oude! Maar het postmodernisme gelooft hier niet meer in. De dwingende richting van het modernisme is in het postmodernisme verdwenen. Hoe gaat het postmodernisme met dit vacuüm om? Is er geen richting meer en draait het postmodernisme louter om zichzelf? Of heeft het postmodernisme toch een eigen program, een verborgen agenda misschien?

In het postmodernisme lijkt alles te kunnen. Het oude mag gerust terugkeren, want oud en nieuw zijn relatieve begrippen. Elke richting en elke stijl lijkt binnen het postmodernisme geoorloofd. Let wel, binnen het postmodernisme, want het postmodernisme hecht aan eigen richtinggevende waarden, zoals ‘niet-vastleggen’ en ‘niet-oordelen’. Postmodernisme staat sterk voor relativisme en pluriformiteit. Dat betekent dat er voor het postmodernisme niet één waarheid of één schoonheid bestaat. Iedere tijd, ieder volk, ieder individu heeft zijn eigen waarheid en schoonheid. Maar deze pluriformiteit, brengt tegelijkertijd het postmodernisme met zichzelf in tegenspraak, of brengt op zijn minst zijn blinde vlek in beeld.

De uiterste consequentie van de postmoderne pluriformiteit is dat mooi en lelijk, goed en slecht, waar en onwaar niet alleen relatief maar ook inwisselbaar zijn. Daarmee houden ze feitelijk op te bestaan, zodat er een oordeelloos, oosters “Tat Tvam Asi” overblijft. Letterlijk betekent dit: “Dat zijt Gij”, maar hier is een onpersoonlijke en zakelijke vertaling (“het is wat het is”) meer op zijn plaats. Het postmodernisme bereikt deze verheven staat van bewustzijn, waarin ‘alles ok’ is, zelf niet. Postmodernisme verzet zich namelijk tegen alles dat zich vastlegt en oordeelt, behalve tegen zijn eigen oordeel en fixatie.

Wanneer woorden als ‘waarheid’ en ‘schoonheid’ vallen, schiet het postmodernisme in een reflex om deze woorden vlug een kopje kleiner maken. Schoonheid en waarheid mogen van het postmodernisme hoogstens bestaan als relatieve begrippen, individuele waarden, eigen opvattingen. Ze blijven intussen wel een achterdeurtje openhouden naar de aanspraak op algemene geldigheid die ze in het verleden hadden. Het zijn de lakeien van het Ancien Régime van de metafysica , van vóór ‘de dood van God’. Na de Revolutie van het modernisme, wil het post-modernisme beslist geen Restauratie. Daarom is het postmodernisme alert als er een Groot Woord valt, want voor je het weet staat er weer een Groot Verhaal!

Desalniettemin is humor de kracht en het wapen van het postmodernisme. Universele, metafysische en absolute waarden worden niet meer erkend. Het enige wat werkelijk telt, is de hoogstpersoonlijke ervaring, die zo klein en zo breekbaar is, dat humor, maar ook ontroering, er wel het hart van moeten vormen. Het graniet van Waarheid en Schoonheid heeft in ‘het heilige hart van de persoonlijke ervaring’ niets te zoeken. Humor geeft de bedenkelijke macht om zélf te ontkrachten en onderuit te halen, om zélf de onmachtige baas te zijn over de onverbiddelijke relativiteit en vergankelijkheid van het bestaan.

gribus

gezien: Boeken – Wim Brands in gesprek met Auke van der Woud
Koninkrijk vol sloppen Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw

Koninkrijk vol sloppenOm de achterkant van onze welvaart in zijn negentiende eeuwse gedaante te zien, moet je tegenwoordig het land uit en bijvoorbeeld een bezoek brengen aan de slums van Mumbay en Manilla, de bidonvilles van Rio de Janeiro of de suburbs van Philadelphia. Maar in de negentiende eeuw hoefde je, als je de stank verdragen kon, in Amsterdam maar een steegje in te slaan, of een bezoekje aan de Jordaan te brengen, om met de sociale ellende van het leven in de sloppenwijken geconfronteerd te worden.

Auke van der Woud, hoogleraar architectuur- en stedebouwgeschiedenis, heeft een boek geschreven over de sociale omstandigheden in de achterbuurten in de negentiende eeuw in Nederland. Het is een episode uit onze nationale geschiedenis die we liever wat op de achtergrond houden. Ook in de negentiende eeuw werd de armoede weggedrukt naar de rand en de achterkant van het geruststellende burgerlijke decorum.

Ons beeld van de vaderlandse geschiedenis is te rooskleurig, vindt historicus Auke van der Woud. Met zijn boek Koninkrijk vol sloppen ontkracht hij het historische zelfbeeld van Nederland als een land met een burgerlijke cultuur. Bij de geschiedschrijving van de periode tussen 1800 en 1900 bestaat de neiging om op de gegoede burger te focussen, terwijl miljoenen Nederlanders rond 1900 in zeer gebrekkige omstandigheden leefden. In achterbuurten vergelijkbaar zijn met de sloppenwijken van de grote steden in de huidige Derde Wereld.
 
Bron: boeken.vpro.nl
Iquitos, Peru
impressies van Belén een sloppenwijk van Iquitos, Peru november 1986

Amsterdamse krottenwijken op negentiende eeuwse foto’s ogen als ongeboende straatjes van Vermeer, die door het zachte strijklicht langs de vervallen en scheve gevels iets onmiskenbaar pittoresk hebben gekregen. Maar het leven in de negentiende eeuwse gribus moet waarschijnlijk weinig verschil hebben gemaakt met het leven in de sloppenwijken van de Derde Wereld in de eenentwintigste eeuw. De verweerde betonnen karkassen van mislukte bouwprojecten die met plastic en roestige golfplaten ‘bewoonbaar’ zijn gemaakt, zijn een hedendaagse vertaling van de ‘schilderachtige’ maar vooral stinkende achterbuurten uit de negentiende eeuw. De smerigheid, de honger en de sociale ellende zijn gelijk gebleven.

Koninkrijk vol sloppen
Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw
Europa was in de late negentiende eeuw getuige van een volksverhuizing. Miljoenen mensen verruilden toen hun agrarische omgeving voor een woning in de stad. Momenteel zien we die massamigratie op mondiale schaal, vooral in China, Afrika en Latijns-Amerika. Verstedelijking en modern leven horen blijkbaar bij elkaar. Een koninkrijk vol sloppen gaat over het begin van de stedengroei in Nederland. Het stille land met 3 miljoen zielen in 1850 was vijftig jaar later in en rond de grote steden een drukke moderne wereld geworden. Maar rond 1900 wemelde het daar ook van overbevolkte krotten en mensenpakhuizen. Schoon water, deugdelijk voedsel, frisse lucht en modern sanitair waren in de achterbuurten zeer zeldzaam. In alle grote steden hoopte het weeëvuil zich spectaculair op. Meer dan een miljoen Nederlanders leefden in een situatie die overeenkomsten vertoont met de slums van de huidige Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse metropolen. Auke van der Woud beschrijft die halfvergane oude wereld in de duistere delen van de stad.
( Bron: vpro.nl )

Holbewoners van de negentiende eeuw [ trouw.nl ]