Maandelijks archief: januari 2010

terug naar het oerverhaal [ 3 ]

cultuurrelativisme en het einde van het Grote Verhaal

KMMA TervurenEen van de nieuwe wetenschappen die in de negentiende eeuw ontstond en die nauw verband hield met de Europese expansie, was de volkenkunde. In de twintigste eeuw vond er met de dekolonisering een omslag plaats in de volkenkunde, die tegenwoordig etnologie of culturele antropologie wordt genoemd. Men deed afstand van de etnocentrische visie en ging alle culturen als gelijkwaardig beschouwen. Dit betekende ook dat men alle religies in principe als gelijkwaardig ging zien. Het is niet onbelangrijk om te zien dat de veroordeling van het zgn. Europacentrisme een Westerse zélfveroordeling is.

beeld voor het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, gebouwd in neo-rococo stijl tussen 1904 en 1910

De Sloveense filosoof Slavoj Žižek heeft aangetoond dat er achter het Westerse cultuurrelativisme nog altijd een superioriteitsgevoel schuilgaat. Volgens hem is het Westen er in geoefend om het authentieke van andere culturen te benadrukken terwijl het haar eigen identiteit onzichtbaar probeert te maken. Doordat het Westen in daarmee ‘identiteitloos’ wordt, kan het zich verbinden met ‘universele waarden’ die voor alle culturen zouden moeten gelden. En daarmee behoudt het Westen stiekem nog altijd haar superioriteitsgevoel.

Vroeger kon je als witte, heteroseksuele man niet eens spreken over je eigen “authentieke“ cultuur en identiteit, want dan was je bij voorbaat al verdacht, dan was je al bijna een neofacist. Maar die zelfvernedering bleek ook een dekmantel. Juist doordat wij “identiteitloos“ waren, konden wij namelijk spreken over universele waarden. Want omdat wij geen identiteit hadden, spraken we vanuit een neutrale positie. En precies dat was zo arrogant tegenover die mensen die we zogenaamd beschermen. “Toe maar, wees vooral jezelf”, zeiden we – maar daarmee stellen wij de norm van wat “jezelf“ is. Niet omdat we “westers“ en dus superieur waren, want dat zou racistisch zijn, maar omdat we “neutraal“ waren. Maar superieur bleven we stiekem. Het is eigenlijk meta-racisme. Fascinerend, hoe deze hypocrisie mogelijk was: meta-racisme als kritiek op het racisme! ( … )
 
Bron: Slavoj Žižek in Filosofie Magazine

Wat heeft dit alles met oerverhalen te maken? Het betekent dat Europa met zijn cultuurrelativisme (én godsdienstrelativisme) het Grote Verhaal waarop de Westerse cultuur gebaseerd is (het Christendom) verloochent door dit verhaal te nivelleren aan de honderdduizenden oerverhalen die de Westerse cultureel antropologen en mythografen verzameld hebben. Het post-modernisme, dat je als de erfgenaam van de Europese Verlichting kunt zien, probeert een bescheiden maar neutrale positie in te nemen en verklaart hét Grote Verhaal taboe. Dat is een noviteit in de geschiedenis, want elke cultuur is altijd gefundeerd geweest op een oerverhaal over de oorsprong van de wereld en van de mens. Dit Grote Verhaal heeft een cultuur gevormd en het kloppend hart daarvan is de religie.

Het post-modernisme, dat je als
de erfgenaam van de Europese Verlichting kunt zien, probeert
een bescheiden maar neutrale
positie in te nemen en verklaart
het Grote Verhaal taboe.

In het Westen heeft de wetenschap de plaats van het Christendom ingenomen. Aan de ene kant is er winst: de Westerse mens is geen gelovige meer die door een religieuze autoriteit klein gehouden wordt, maar is geëmancipeerd tot een individu. Toch betaalt hij voor deze ‘vrijheid’ een hoge prijs: diep wantrouwen en een onvermogen tot overgave. Hij zou wel willen geloven, maar hij kan het niet (meer). Met het afschaffen van het Grote Verhaal valt het bezielend verband weg en moet ieder voor zichzelf maar ‘zijn’ of ‘haar waarheid’ zien te vinden. De geestelijke uitholling die het afschaffen van het Grote Verhaal veroorzaakt, drukt zwaar op de post-moderne mens.

Mircea EliadeDe van oorsprong Roemeense godsdienst-psycholoog Mircea Eliade wijst in Het heilige en het dagelijkse bestaan ook op deze verzakelijking van de wereld, een proces dat gepaard gaat met het verlies van bevredigende zingevende verhalen, ook al schept de wetenschap eigen oorsprongsverhalen, zoals het verhaal van de oerknal. Mythen worden door de moderne mens bestudeerd in plaats van gecelebreerd. Eliade noemde dit proces desacralisatie. Ook de Canadese filosoof Charles Taylor houdt zich diepgaand met de onttovering van de wereld bezig. Het is veelzeggend dat hij naast filosoof ook praktiserend katholiek is.

eerdere posts in deze reeks | Het heilige en het dagelijkse bestaan

terug naar het oerverhaal [ 2 ]

gelezen: het heilige en het profane (1957) van Mircea Eliade

Mircea EliadeOver godsdienstwetenschappers wordt wel eens gegrapt dat zij de enige wetenschappers zijn die niet in hun eigen bronnen geloven. Tijdens het lezen van het heilige en het profane van de godsdienst-historicus Mircea Eliade ontdekte ik hoe waar deze opmerking eigenlijk is. De van oorsprong Roemeense Eliade (1907-1986) was behalve godsdienst-historicus nog veel meer: yoga-kenner, religie-psycholoog, wijsgerig antropoloog en misschien ook wel socioloog. In het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Hans Andreus schrijft deze dat Mircea Eliade meer verwant is met de dichter dan met de wetenschapper. Maar het heilige en het profane is vooral een boek van iemand die de smaak van honing beschrijft. Terwijl je van een dichter verwacht dat hij ‘hoger honing’ bezingt.

Misschien is dit het tragische lot van de wetenschapper; beroepshalve moet hij aan de kant blijven staan en daardoor mist hij datgene wat hij bestuderen wil: de levende ervaring. Omdat de godsdienstwetenschapper afstand schept tussen zichzelf en het object van zijn studie, kan hij niet participeren als een gelovige. Hij beschrijft de godsdienst(en) niet van binnenuit maar van buitenaf. Daardoor spreekt hij ook een andere taal. De terminologie die Eliade gebruikt, is even wetenschappelijk precies als kil. Religieuze ervaringen worden gebundeld en gelabeld in verstandelijke categorieën als ‘antropokosmische homologatie’, ‘zijnsmodus’ of ‘hiërofanie’. De godsdienstwetenschap brengt net als de fenomenologie een rationalistisch monstrum voort. Beiden worden gedreven door een diep verlangen om door te dringen tot de essentie. ‘Zurück zu den Sachen selbst‘ zoals de grondlegger van de fenomenologie Edmund Husserl het verwoordde. Maar in plaats van terug te keren naar de naakte verschijnselen, schept de fenomenologie een eigen metataal, waardoor het brandpunt juist op de taal komt te liggen en niet op de verschijnselen zoals oorspronkelijk de bedoeling was.

Mircea EliadeNiet elke wetenschapper hoeft in deze valkuil terecht te komen. Zo ontmoette de Peruaanse student antropologie Carlos Castaneda in 1960 in de Yaqui sjamaan ‘Don Juan’ terwijl hij de riten van zijn stam als studieobject gekozen had. Het verhaal is bekend: Castaneda gaf zijn positie als wetenschapper op en gaf zich over aan de levende ervaring. In zijn boeken deed hij verslag van de lessen die hij van zijn leermeester Don Juan ontving. De reacties waren voorspelbaar: zijn oudere vakbroeders noemden hem een charlatan, omdat hij zijn wetenschappelijke positie had opgegeven. Maar daardoor was hij nu een ingewijde in plaats van een buitenstaander ‘Het object van zijn belangstelling’ had hem uitgenodigd de grens te overschrijden en zijn wetenschappelijke houding op te offeren.

Het heilige en het profane is een boek van een wetenschapper die geconcentreerd schrijft over ‘het object van zijn belangstelling.’ Eliade heeft het voortdurend over ‘de goden’ maar dat blijft voor hem een categorie, evenals ‘de mythische helden’. Hij plaatst zich daardoor op een ‘wetenschappelijke Olympus’ die boven alle godenbergen uitreikt. Maar de religieuze ervaring zélf is in die positie onbereikbaar. De paradox is dat hij de religieuze ervaring wéll dichterbij brengt, zoals onmiddellijk uit de eerste alinea van zijn boek blijkt:

Voor de religieuze mens is de ruimte niet homogeen. Hij toont scheuren en breuken; er zijn ruimte-delen die kwalitatief verschillen van de andere. ‘Kom niet te dichtbij’ zei de Heer tot Mozes ‘doe uw schoenen van uw voeten want de plaats waarop gij staat, is heilige grond. (Exodus 3:5) Er is dus gewijde, en daarom ‘sterke’ veelbetekenende ruimte, en er zijn andere ruimten, die niet-gewijd, en bijgevolg over ‘t geheel zonder ordening en samenhang amorf zijn. De religieuze mens ziet deze ruimtelijke in-homogeniteit in de ervaren tegenstelling tussen de gewijde ruimte – de enige die werkelijk is, die werkelijk bestaat – en al het overige, de vormloze uitgestrektheid daar omheen.
 
Bron: eerste alinea uit ‘het heilige en het profane’
De religieuze mens ziet deze ruimtelijke in-homogeniteit in de ervaren tegenstelling tussen de gewijde ruimte – de enige die werkelijk is, die werkelijk bestaat – en al het overige, de vormloze uitgestrektheid daar omheen

Mircea Eliade

The Sacred and the Profane [ books.google.nl ] | castaneda.com