Maandelijks archief: augustus 2011

Kunstenmaker

de geniale PR van Herman Brood

Herman BroodHet fenomeen Herman Brood was een stijlicoon, een grappenmaker, een mediaster en een handige bespeler van het Nederlandse publiek. Dat laatste bedoel ik niet negatief. Want het is een kunst om aan te voelen wat er onder het publiek leeft en om daar op in te spelen. Op het juiste moment en op de juiste plaats. Herman Brood heeft het niet alleen voor elkaar gekregen om zijn producten aan het Nederlandse volk te verkopen, maar heeft vooral zichzelf goed verkocht. Omdat hij zichzelf tot publiek bezit gemaakt had en massaal omhelsd werd, vonden ook zijn schilderijen en zeefdrukken een weg naar de Nederlandse huiskamers. In de week nadat Herman Brood van het Hilton gesprongen was, waren zijn zeefdrukken bijna niet aan te slepen. Een kunsthandelaar meldde mij dat hij dagelijks tussen de tien en twintig zeefdrukken van Herman Brood verkocht en dat de prijzen ineens omhoog waren geschoten. Het is als met de krabbels van je bloedeigen kind. De meeste ouders smelten bij de eerste koppoter van hun peuter. Dat zo’n krabbel motorisch onbeholpen, clichématig en grof is, doet helemaal niet ter zake. Herman Brood werd en wordt door een breed en gevarieerd publiek als een groot kind gekoesterd. Zijn werk hangt in honderdduizenden huiskamers aan de muur. Net als een kindertekening is een werk van Brood een soort fetisj. Zijn energie zit erin, Brood komt naderbij als een bokshandschoen.

Maar als beeldend kunstenaar heeft Herman Brood mij toch nooit weten te boeien. Wanneer zijn werk ter sprake komt, valt mij op dat er haast altijd de volgende kwaliteiten worden genoemd: direct, spontaan, krachtig, energiek, rauw. Bijna nooit hoor je dat zijn materiaalgebruik liefdeloos is en elke nuance mist. Of dat hij met zichzelf in een eindeloze herhaling is gevallen. Aan graffiti en zogenaamde straatkunst kun je trouwens vaak dezelfde kwaliteiten toeschrijven. Met de spuitbus en de verfroller lijkt de menselijke expressie teruggekeerd naar een primitief stadium in zijn ontwikkeling. In onze collectieve geschiedenis keren we terug naar de grotten en de holen uit het Neolithicum, terwijl we in onze individuele geschiedenis teruggaan naar de koppoters uit de peutertijd.

Het werk van Herman Brood lijkt op straatkunst. Of op krabbels van peuters. Het is krasserig, wild en rauw. Dat laatste geldt overigens ook van het werk van Anton Heyboer, een andere mediakunstenaar die het van zijn televisieoptredens en stukken van Henk van der Meijden moest hebben. Voor mij hadden Brood en Heyboer, hoe verschillend ook, daarom ook veel met elkaar gemeen. Ze voelden haarfijn aan dat de moderne mens in een massacultuur leeft, die Guy Debord de Spektakelmaatschappij heeft genoemd. In deze maatschappij is de individuele mens de massa geworden die door de massamedia vermaakt en bespeeld wordt. De ene keer een grappige anekdote, de andere keer een lekker schandaal en de massa blijft smullen. De mediakunstenaar accepteert zijn symbiose met de massa en maakt van PR het hart van zijn kunst. Vroeger zou je een mediakunstenaar een kunstenmaker genoemd hebben en eigenlijk is dat een zeer treffende benaming. De mediakunstenaar geeft de kijkcijfers het laatste woord en levert zich uit aan de massa in ruil voor aandacht.

De mediakunstenaar accepteert zijn symbiose met de massa en maakt van PR het hart van zijn kunst.

Door de marktwerking (“u vraagt, wij draaien”) is kunst zijn vormende karakter kwijtgeraakt. Hochkultur is in de massacultuur ten onder gegaan. Deze tendens werd in het Dadaïsme voor het eerst duidelijk zichtbaar en werd voortgezet in de jaren zestig door Pop Art. Wat tenslotte overblijft, is een bepaalde individuele behoefte die door de massamedia geëxploiteerd kan worden. In de spektakelmaatschappij is dat dikwijls de behoefte aan vermaak. Zijn publiek vermaken, daar was Herman Brood een meester in. Bart Chabot is na zijn dood zijn biograaf geworden. Chabots ‘broodjes’ lezen als een trein en je ligt op elke bladzijde wel ergens in een deuk, heb ik mij verschillende keren laten vertellen.

Brood‘s werkwijze berust op het etaleren van non-conformisme en dat is blijkbaar erg aanstekelijk. Echte Broodfans geven in een persoonlijke biecht soms toe een mateloze bewondering te hebben voor Brood‘s ik-heb-overal-schijt-aan-houding. Zijn cynische, agressieve en ongeduldige materiaalgebruik maakt deze houding heel direct zichtbaar. Verfrollers en spuitbussen! Ik ben wild en ongetemd! The medium is the message! De paradox bij veel Brood-fans is dat ze enorm door zijn non-conformisme worden aangetrokken, maar zich daarin eigenlijk heel conformistisch gedragen. Het stoere, krachtige en wilde imago werkt als een magneet. Ik vermoed dat het imago van ‘overal-schijt-aan-hebben’ heel bewust door Brood en zijn manager op de Nederlandse markt is gezet. Plat en zakelijk gezegd: de brave en aangepaste burger kan met een werk van Brood een stoer en vrijgevochten imago inkopen. Menig Brood- fan moet zich diep in zijn hart een lafaard voelen…

De paradox bij veel Brood-fans is dat ze enorm door zijn non-conformisme worden aangetrokken, maar zich daarin eigenlijk heel conformistisch gedragen.

Ontelbare mensen verlangen ernaar te doen wat ze willen maar kunnen of durven niet. En degenen die wel kunnen of durven, zijn niet bekend genoeg, niet grappig genoeg of niet slim genoeg om te bereiken wat Brood bereikt heeft. Bijna elke straatkrant heeft wel een junk in dienst die ongeveer dezelfde krabbels maakt als Brood, maar het niet tot nationale knuffeljunk heeft geschopt. Eigenlijk levert straatkunst, net als de hiphop scène, een tamelijk eenzijdig beeld op: snel, rauw, bijtend, stoer, wild en direct. Deze oppervlakkige kenmerken springen onmiddellijk in het oog. Maar als je beter gaat kijken, valt op hoe cynisch, agressief, ongeduldig en ik- gericht de achterliggende ziens- en werkwijze is. Het is schreeuwen om aandacht. Herman Brood is daarin met vlag en wimpel geslaagd. En dat is natuurlijk ook weer een kunst…

hermanbrood.nl

De knuffeljunk & de knuffelmajoor

Herman Brood en Majoor Boshardt in Villa Felderhof (1996)

Herman BroodHerman Brood was onze nationale knuffeljunk. Om deze status te verdienen, had Brood in de jaren een imago opgebouwd waarbij de kwajongen en de lieve zorgzame man elkaar zorgvuldig in evenwicht hielden. Dat werkte het beste tegen de achtergrond van een moederfiguur. Door in een familieshow met zijn bloedeigen moeder op te treden, had Herman Brood een dijk van een PR-stunt neergezet. De junk die schor als een kraai op prime time voor zijn moeder een ondeugende tekst over moederliefde zong, bleek een tweesnijdend zwaard in handen te hebben. Zijn gevestigde publiek vond de combinatie van de junk en het burgerlijke vrouwtje grappig en ontroerend, terwijl in honderdduizenden burgerlijke huiskamers en verzorgingstehuizen de harten van de omaatjes smolten. De smerige heroïnejunk bleek de kwaadste niet. Door met zijn moeder op de vaderlandse buis te verschijnen, had hij er bovendien nog een imago bij gekregen. Herman Brood was nu ook ons nationale Grote Kind geworden. Je schrijft het inderdaad met hoofdletters omdat het Grote Kind een religieuze dimensie heeft: het is namelijk altijd en overal Zichzelf en lijkt Augustinus‘ woord te belichamen: “Ama et fac quod vis.” Heb lief en doe wat je wilt.

Door in een familieshow met zijn bloedeigen moeder op te treden had Herman Brood een dijk van een PR-stunt neergezet.

Wanneer Henk Binnendijk in 1994 voor het EO-programma fifty-fifty Herman Brood in zijn atelier opzoekt en hem langs de religieuze meetlat legt, dan weet Brood precies hoe hij het publiek voor zich kan winnen. “Henk deugt. Maar ik deug meer.” Het Grote Kind heeft gesproken. Wie gevoelig is voor de tijdgeest weet dat het geloof in God versmald (of verbreed) is tot het geloof in jeZelf. In de post- christelijke tijd heeft degene die niet in ‘de oude man met de grijze baard’ maar in zichZelf gelooft de sterkste papieren in handen gekregen.

Bosshardt en Brood in 1996
Majoor Bosshardt en Herman Brood
in Villa Felderhof (1996)
Ama et fac quod vis.
Heb lief en doe wat je wilt.

Aurelius Augustinus

Ook in Villa Felderhof gaat het Grote Kind in 1996 de confrontatie met een vertegenwoordiger van het oude geloof aan. De moederfiguur, die eerder al zo doeltreffend door zijn eigen moeder in het spel was gebracht, wordt ditmaal vertegenwoordigd door de tweede gast in Villa Felderhof: majoor Bosshardt. De moeder- zoon-act wordt verder geperfectioneerd. De Majoor zeept het Grote Kind in, terwijl het naakt in bad zit en er wordt een geweldige tv-hit gescoord. Natuurlijk was het een gouden greep geweest om Herman Brood en Majoor Bosshardt samen in de villa te zetten. Majoor Bosshardt had door haar vele mediaoptredens de harten van het grote publiek al veroverd. Ze was een nationale moederfiguur geworden. En Herman Brood had door het tv-optreden met zijn eigen moeder al een beetje de aura van het Grote Kind om zich hangen. Het moet voor de programmamanagers op voorhand al een succesnummer zijn geweest: De knuffeljunk en de knuffelmajoor in dezelfde show.

Long Tall ErnieIn 1974 had Long Tall Ernie samen met de Zangeres Zonder Naam bij Mies Bouwman een optreden. In de Nederlandse televisiegeschiedenis zou je dit als een soort voorafbeelding kunnen zien van het optreden van Herman Brood en Majoor Bosshardt in Villa Felderhof. Bij de NCRV vlogen de kijkcijfers omhoog, de manager van Herman Brood kon de oplagen van zijn zeefdrukken weer verhogen, majoor Bosshardt had weer goede PR gemaakt voor het Leger des Heils en Rik Felderhof had tenslotte een legendarische televisie uitzending op zijn naam staan. Een echte win-win-win-win situatie dus, iedereen blij.

Zoutelande Revisited

na veertig jaar weer van Zoutelande en het zoute water geproefd
Zoutelande
Zoutelande – ansichtkaart uit 1971

Net als in de zomer van 1969 hadden onze ouders in 1971 weer een huisje gehuurd bij Adriaanse. ‘Het ordinaire huisje’ noemde ik het, want de muren liepen er scheef en voor mijn achtjarige gevoel zaten we in een achterbuurt bij ‘de ordinaire mensen’. Maar dat bleek erg mee te vallen. Zoutelande was in de zomer volgestroomd met nette gezinnetjes als het onze. Aan het strand zaten we allemaal keurig op een rij, ieder bij zijn eigen strandhuisje. Mijn broer en ik vermaakten ons prima met krabben vangen. Tussen de kribben peuterden we mosselen los die we naakt aan een draadje bonden. Vader maakte een zorgvuldig geënsceneerde actiefoto.

Zoutelande
krabben vangen, juli 1971
Et in Arcadia ego

Op weg naar Zoutelande kregen we de schrik van ons leven. Ter hoogte van het plaatsje Krabbendijke schalde plotseling het plaatje Marijke uit Krabbendijke van Ronnie Tober uit de autoradio. Een liedje uit 1965 op de juiste plaats. En dus het juiste moment. Hoe kán het! Van synchroniciteit hadden we nooit gehoord, dus vonden we het maar ‘heel toevallig hoor’!

Die Marijke uit Krabbendijke
Is een kind van melk en bloed
En Marijke uit Krabbendijke
Doet het hart van een echte zeeman goed

Ronnie Tober

Zoutelande
Kees en Jim in Zoutelande gisteren

In de zomer van 1971 was de provincie Zeeland nog niet door de deltawerken van de zee afgesloten. Vijf van de veertien deltawerken waren inmiddels gereed: de Stormvloedkering Hollandse IJssel (1958), de Zandkreekdam (1960), de Veerse Gatdam (1961), de Grevelingendam (1965) en de Volkerakdam (1969).

delta postzegel 1972
postzegel uit 1972 met een schematische weergave van het deltaplan

In 1971 zouden de Haringvlietdam en de Brouwersdam resp. het Haringvliet en het Grevelingenmeer van de zee afsluiten. Op de bovenstaande postzegel uit 1972 zijn deze twee afsluitingen rood gemarkeerd. De overige zeven deltawerken zijn tussen 1983 en 1997 voltooid, waaronder de Oosterscheldekering (1986).

delta postzegel 1986
postzegel uit 1986 ter gelegenheid van de voltooiing van de Oosterscheldekering

zoutelande.info