Maandelijks archief: september 2006

het ongeziene

symbolisme en vroege abstractie in Nederland 1890-1920

De laatste weken ben ik weer aan het lezen over het ontstaan van de abstracte kunst. Vorige maand schreef ik hier al iets over de schilder-mysticus Janus de Winter uit Utrecht. Hoe meer je gaat lezen over de vroege abstractie, hoe meer je ziet dat deze ontstaan is vanuit een belangstelling voor het ongeziene. Vanaf 1885 heeft het symbolisme het impressionisme opgevolgd als de heersende stroming in de kunst. In tegenstelling tot de impressionisten richten de symbolisten de blik naar binnen. Hun voorstellingen zijn vaak allegorisch, traditioneel technisch en vaak met een nadruk op de lijn. Sommige symbolisten zijn aanhangers van een occulte beweging zoals de Theosofische Vereniging en de Rozenkruizers.

De symbolistische kunst nam vooral in de literatuur maar ook in de schilderkunst geëxalteerde vormen aan. De Eerste Wereldoorlog maakte daar in één klap een einde aan. Het absurdisme van Dada richtte zich tegen alles dat zich wilde verheffen, maar zou door zijn anarchistische en cynische karakter nooit een massakunst voortbrengen. ( Overigens zie ik de parallel tussen de kunststromingen symbolisme en dada en de subcultuur van flowerpower en punk . In de conjunctuur van de geschiedenis volgt op een periode van optimistische spiritualiteit wel vaker een tegenreactie van rauw cynisme.) Het waren de opvattingen van De Stijl en het Bauhaus die het sobere, serene gezicht van de toekomst gingen bepalen en van waaruit de Nieuwe Zakelijkheid zich zou ontwikkelen.

boeken symbolisme
Enkele van mijn boeken over de vroege abstractie. Twee tentoonstellingscatalogi van het Haags Gemeentemuseum, Kunstenaren der idee (1981) en Het onzichtbare zichtbaar gemaakt (1987) en twee monografieën over Albert August Plasschaert en Janus de Winter

De bekendste kunstenaar die uit deze spirituele beweging aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw is voortgekomen, is natuurlijk Mondriaan. Maar Nederland had meer schilders die zich al in een vroeg stadium met de abstractie bezighielden, maar die nu in de vergetelheid zijn geraakt: Janus de Winter, Jakob Bendien, Adriaan Korteweg, Jacoba van Heemskerck en Albert August Plasschaert.

PlasschaertHet „afbeelden van het onzichtbare„ uit de astrale en mentale wereld, is ook het doel geweest van diverse kunstenaars, die vanaf 1916 exposeerden in het Huis der Zielekunst in Den Haag. Onbetwiste leider van de groep, de schilder-schrijver Alb. A. Plasschaert - ook werkend onder het pseudoniem Anjana Bertos – niet te verwarren met zijn neef de kunstcriticus, Albert Plasschaert – probeert door middel van „mystieke lijn – en kleursymphonieën„ zijn geesteservaringen uit te drukken, die hij verder toelicht in talloze, zeer duistere lezingen en geschriften. In 1918 en 1919 is hij redacteur van De Derde Weg, het tweemaandelijks tijdschrift van Huis 202. Daarin verschijnen gedichten en opstellen, soms met tekeningen, die nogal evangelistisch aandoen, zoals O! God te dienen.
 
Ook Joh. Tielens blijkt geëxposeerd te hebben in het Huis der Zielekunst, met een schilderij De Jaargetijden. Deze schilder-mysticus, wiens naam al voorkomt in de catalogus van de hierboven genoemde tentoonstelling van leden van de Theosofische Vereeniging in 1904, heeft vooral meegedaan aan exposities van de Rotterdamse kunstenaarsgroep De Branding. De leden van deze groep gingen er van uit dat „kunst, godsdienst en filosofie de taak hadden de mensheid weer bewust te maken van de diepere eenheid, de geestelijke achtergrond van al het bestaande…„, een doelstelling, die ook door de kunstenaars van het Huis der Zielekunst werd onderschreven. Volgens Laurens van Kuik, lid van De Branding is de weg tot de kennis van het onbewuste „de zelfinkeer, de doordringende concentratie van de bewustzijns-aandacht op het innerlijk zielsgebeuren, zoveel mogelijk met uitsluiting van de indrukken der buitenwereld„, een gedachte die sterk overeenkomt met het belang dat de theosofen hechten aan de meditatie, als middel om hoger bewustzijn te bereiken.
Plasschaert
Albert Plasschaert, O! God te dienen.
Opus 1737. Uit: De Derde Weg 1 (1919)
Plasschaert’s tekeningen laten een drang naar het grenzeloze zien, een sterk verlangen naar het opgaan in het geestelijke en naar een ontbinding van het stoffelijke
Een ware broedplaats van allerlei stromingen en mensen met hoge opvattingen over kunst en kunstenaars was het Gooi, met name Laren en Blaricum, waarvan Herman Hana later nog een fraaie beschrijving geeft. In dit verband moet de schilder Karel Schmidt genoemd worden, die in 1915 in Blaricum kwam wonen en daar in 1918 het genootschap De Smeden oprichtte, dat in september en oktober van dat jaar een grote tentoonstelling hield in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Op die tentoonstelling waren diverse psychologische portretten, waarschijnlijk ook het Lotsportret van Wilhelmina (cat. nr. 119), waarop aura-achtige vormen te zien zijn. Schmidt gaf hierin niet de gelijkenis van de geportretteerden weer, maar wat zij uitstraalden. Margaretha Verwey geeft in haar autobiografie een karakterisering van het werk van Schmidt en zijn medestanders: „Kosmisch werk zou ik het willen noemen. Een weergeven niet van de dingen die wij met uiterlijke oogen zien, maar een weergeven van wat achter de dingen ligt, een zien van het ongeziene.„
 
Bron: dbnl.org

achtergronden bij het symbolisme | Theosofie in de Nederlandse kunst

Nieuwe Zakelijkheid

de grafische ontwerpen van Piet Zwart
Piet Zwart (1885-1977) dankt zijn faam als typografisch ontwerper voor een goed deel aan de uitgebreide serie advertenties die hij tussen 1923 en 1933 voor de Nederlandsche Kabelfabriek te Delft maakte. Experimenteerde hij daarin vooral met een wijd gamma van overwegend schreefloze letters, elementen uit de ‘blikvangerskast’ en lijnen in allerlei soorten en maten, vanaf het einde van de jaren twintig voegt hij aan zijn werk een belangrijke dimensie toe door de toepassing van de fotomontage. De bekendste voorbeelden daarvan zijn de brochure uit 1931 Delft Kabels en natuurlijk Het boek van PTT uit 1938. Daarnaast leverde Zwart voor de Rotterdamse uitgeverij Brusse een aantal opmerkelijke bandomslagen waarop de fotomontage een prominente rol speelt. Een opvallend voorbeeld vormt het ontwerp voor Kamergymnastiek voor iedereen, van de krachtige promotor van de gymnastiek Hubert van Blijenburgh die bij de Brusses nog vijf andere publicaties op dit terrein verzorgde.
PTT
een pagina uit Het boek van PTT, 1938
doordat de belettering parallel loopt met cruciale elementen van de foto, maakt het ontwerp een zeer homogene indruk. Tegelijkertijd wordt een goed bij het onderwerp passende dynamiek bereikt die nog wordt versterkt door de scherpe diagonaal tussen het in oranje gedrukte voorbeeldblad met oefeningen en de raamstijlen. Overigens bleef de medewerking van Zwart aan dit boek beperkt tot het bandontwerp, want de vormgeving van het binnenwerk (het voorwoord begint met een in oranje uitgevoerde ‘D’ uit de serie initialen bij de Hollandsche Mediaeval van De Roos is weinig revolutionair.
Piet Zwart
J.F. Otten, Amerikaansche filmkunst Rotterdam, 1931 ontwerp van Piet Zwart
Het inschakelen van een ontwerper als Zwart is kenmerkend voor de zorg die de Brusses aan hun boeken besteedden. Net zoals zij in vroeger jaren (vgl. nr. 85) ruimte gaven aan een vernieuwend ontwerper als De Roos, boden zij ook de wegbereiders van de Nieuwe Zakelijkheid een mogelijkheid hun ideeën in praktijk te brengen. Zo zou Zwart ook de bandontwerpen voor de befaamde serie Monografieën over Filmkunst verzorgen en werden typografisch interessante experimenten als dat van Paul Schuitema in Stad van B. Stroman (1932) niet geschuwd.
 
Bron: kb.nl/galerie/100hoogtepunten
Piet Zwart 1931 Goudse Glazen
postzegels uit 1931 van Piet Zwart

De Duitse term Neue Sachlichkeit (nieuwe zakelijkheid) werd ingevoerd door Gustav Hartlaub, in 1925, terwijl hij directeur was van de Mannheimer Kunstgalerie. Kenmerkend voor de stijl is een uiterst emotieloze weergave van alledaagse onderwerpen en een hang naar eenvoud, zowel binnen de film, als bij fotografie, architectuur en schilderkunst.
Bron: nl.wikipedia.org

Piet Zwart [nl.wikipedia.org]

het punt van Oriana

Was Oriana Fallaci een ordinaire islamofoob?

Vorige week overleed de Italiaanse journaliste, publiciste en schrijfster Oriana Fallaci op 76-jarige leeftijd aan kanker. Hoewel ze altijd een boegbeeld is geweest van de linkse intelligentsia (ze kwam uit een communistisch nest), distantieerde ze zich steeds meer van de westerse intellectuelen die ze ‘de krekels’ noemde. Toen ze in 2001 het pamflet La rabbia e l’orgoglio (vert. de woede en de trots, 2002) schreef, een felle en vulgaire repliek tegen de islam, veroorzaakte dat een oorverdovend krekelconcert. Rene Zwaap van de De Groene liet ook van zich horen

Direct na 11 september doorbrak de legendarische Italiaanse journaliste en schrijfster Oriana Fallaci haar meer dan tienjarige stilzwijgen in haar vrijwillige ballingsoord in het hart van Manhattan voor een lange, woedende tirade tegen de volgens haar naar wereldheerschappij strevende islam. Het pamflet, La rabbia e l„orgoglio (De woede en de trots), geschreven in de vorm van een emotionele brief aan haar uitgever, verkocht in Italiëmeer dan een miljoen exemplaren en ontketende een fel debat. «Italië raakt verdeeld in het teken van Oriana», schreef een krant. In Frankrijk deed een antiracismegroepering een poging tot een verbod wegens rassenhaat. Bij de gelegenheid van de verschijning van de Nederlandse vertaling, uitgegeven door Bert Bakker, schreef René Zwaap een open brief aan de vrouw die ooit het idool was van een gehele generatie.
Bron: groene.nl

Was haar schotschrift een provocatie of meende ze het allemaal echt? Ik heb het niet gelezen, dus kan er niet over oordelen. Volgens mij had Fallaci wel een punt te pakken. Dat bevestigt ook het artikel op liberales.be de website van de denktank van de liberale beweging in België:

de woede en de trotsZe beschrijft gebeurtenissen die je doen walgen. Zoals de terechtstelling van twaalf mannen in Dacca die voor het oog van twintigduizend gelovigen beestachtig worden afgemaakt onder gejuich ‘Allah Akbar. God is groot’, waarna de twintigduizend een stoet vormen en over de lijken lopen en hun botten verbrijzelen. Zoals de excecutie van drie vrouwen op een publiek plein in Kaboel die gehuld in een burqa als ‘dingen’ worden afgeslacht. Zoals de ‘infibulatie’ waarbij de clitoris bij jonge vrouwen wordt weggesneden en de grote schaamlippen dichtgenaaid, om seksueel genot te verhinderen. Kunnen we dit blijven aanvaarden? Waarom protesteren de Krekels (westerse intellectuelen) daar niet tegen? “Hoe komt het dat jullie over de Afghaanse zusters, over de vrouwen die vermoord, gemarteld, vernederd, mishandels of misleid zijn door die klootzakken met hun soutane en tulband, het stilzwijgen van jullie mannetjes imiteren? Hoe komt het dat jullie nooit heibel schoppen voor de ambassade van Afghanistan of Saoudi-Arabiëof enig ander islamitisch land?”
 
Niet alleen de vrouwen worden onderdrukt en vermoord, maar ook alle niet islamitische symbolen. In opdracht van de mullah’s werden twee duizend-jarige Boedhabeelden opgeblazen, net zoals later de Twin Torens. Alles wat niet islamitisch is moet verdwijnen. Het is voor Fallaci een houding die al veertienhonderd jaar bestaat en waarvoor het westen onverklaarbaar genoeg de ogen sluit. Hier heeft ze een punt. Vanuit een soort cultuurrelativisme worden onaanvaardbare praktijken vanuit een misbegrepen verdraagzaamheid al te snel geaccepteerd als vormen van traditie of gewoonte.
 
Bron: liberales.be
Vanuit een soort cultuurrelativisme worden onaanvaardbare praktijken vanuit een misbegrepen verdraagzaamheid al te snel geaccepteerd als vormen van traditie of gewoonte

enkele boeken van Oriana Fallaci
1990 – Insciallah roman vert. Insjallah
2001 – La rabbia e l’orgoglio vert. De woede en de trots
2004 – La forza della ragione vert. De kracht van de rede
2004 – Oriana Fallaci intervista Oriana Fallaci
2005 – Oriana Fallaci intervista sé stessa – L’Apocalisse